BA Leerlijnen Kunstgeschiedenis - Universiteit Leiden

Eva le Clercq & Helen Westgeest - h.f.westgeest@hum.leidenuniv.nl

Colofon

Dit werk valt onder een CC BY NC SA NL 3.0-licentie.

3. Inleiding

Lees eerst de eerstejaarsvereisten voor het schrijven van een inleiding in Jaar 1, Inleiding.

 

De inleiding van een wetenschappelijk stuk introduceert en bevraagt het onderwerp van onderzoek, waarna het betoog logisch en afgebakend kan aanvangen. Dit maakt de inleiding niet alleen het begin van een paper, maar tevens het raamwerk dat de hele paper zal structureren. De inleiding vormt daarom een belangrijk maar lastig onderdeel in het schrijfproces. Het is verstandig zo snel mogelijk een eerste versie op papier te zetten, maar de uiteindelijke versie op het laatst aan te passen, zodat de structuur van de inleiding en de structuur van de definitieve paper overeenkomen.

3.1 Onderdelen van een inleiding:

Een goede inleiding bestaat vaak uit de uitwerking van drie vragen:

  1. Waarom?        -           De reden van onderzoek

  2. Wat?               -           Het onderzoeksveld en de onderzoeksvraag

  3. Hoe?               -           De aanpak binnen een groter wetenschappelijk kader

 

1. Waarom? De reden van onderzoek:

  • Hoe je tot het onderwerp en object van onderzoek bent gekomen

  • De relevantie van het onderzoek

2. Wat? Het veld en de vraag:

  • Introduceer het onderzoeksveld in brede zin.
    Bijvoorbeeld: ‘Veranderingen in het kunstenaarschap aan het eind van de negentiende eeuw in relatie tot maatschappelijke ontwikkelingen’, of ‘De receptie van abstracte kunst in Nederland in het Interbellum’.

  • Specificeer naar een hoofdvraag en twee deelvragen.

  • Baken deze zoveel mogelijk af op regio, periode, soort kunst, etc.
    Het is belangrijk dat je de lezer duidelijk maakt hoe je het onderzoeksterrein afbakent. Dit voorkomt vragen over de redenen waarom je aan bepaalde aspecten wel en andere weinig of helemaal geen aandacht besteedt.

 

3. Hoe? De aanpak:

Nadat je hebt geïntroduceerd wat je gaat onderzoeken (het onderzoeksveld en de onderzoeksvraag), maak je duidelijk hóe je dat gaat doen, door middel van een bespreking van het theoretisch- en methodologisch kader:

 

Theoretisch kader:
  • Probeer je te positioneren ten opzichte van andere auteurs die eerder onderzoek deden op jouw onderzoeksgebied. Het is belangrijk dat je de lezer op de hoogte brengt van de stand van zaken rondom jouw onderzoeksveld én wat jij daaraan denkt toe te voegen. Omdat je een heel veld probeert te schetsen, is het toegestaan enigszins te generaliseren in dit deel. Probeer voor jezelf de volgende vragen te beantwoorden:

  • Wat zijn de historische en contemporaine bronnen over het onderwerp?

  • Wie hebben er tot dusverre over het onderwerp geschreven en wat heeft dat concreet opgeleverd?

  • Welke verschillende ideeën bestaan er over het onderwerp?

  • Wat zijn de belangrijkste termen en theorieën?

  • Welke lacunes zijn er in het onderzoek?

  • Van welke aannames ga ik uit?

  • Plaats jouw onderzoeksobject in het oeuvre van de kunstenaar (ca. 1/4 p.).

 

Methodologisch kader:

Dit beschrijft hóe je de hierboven beschreven literatuur zult inzetten om de hoofdvraag mee te beantwoorden. Dit kan d.m.v. receptieonderzoek zijn, cultuurhistorisch onderzoek, kunst-sociologisch onderzoek, interdisciplinair onderzoek met een hulpwetenschap erbij, vergelijkend mediaonderzoek, etc.

Voor het benoemen van het methodologisch kader in de inleiding kun je het methodologisch kader uit de onderzoeksopzet gebruiken in uitgewerkte vorm. Zo bestaat er dus een link tussen het methodologisch kader in het voorstel en dat in de inleiding. Deze uitgewerkte methode vormt vervolgens weer de kapstok om de informatie aan op te hangen in het middenstuk van de paper.

 

Verhouding theoretisch kader en methodologisch kader:
  • Soms stel je vanuit het theoretisch kader de onderzoeksvragen en –methode. Bijvoorbeeld: “dit en dit is er al geschreven, maar naar mijn idee ontbreekt er iets, dus dat ga ik onderzoeken met de volgende vraag en de volgende methode”. Maar het kan ook andersom gaan: “Ik ga dit en dit onderzoeken en daarvoor baseer ik mij op het volgende theoretische kader”.

  • Na het schetsen van het (bestaande) theoretische kader, benoem je ook wat je binnen dat veld wilt bereiken met jouw onderzoek. Benoem wat voor veranderingen jij hoopt te bewerkstelligen in het discours.

3.2 Do’s & Don'ts:

Do's

+ Probeer een goede binnenkomer te bedenken. Dit kan door middel van:

  • een goede openingszin

dus niet: ‘Kunstenaar X leefde van het jaar zoveel tot het jaar zoveel..’, of: ‘Voor het vak Schilderkunst in het Digitale Tijdperk moest ik een paper schrijven over…’.

  • inhaken op de actualiteit

  • een persoonlijke ervaring aanhalen

  • de lezer een vraag stellen

  • een opmerkelijke uitspraak doen

+ Geef achter de naam van de kunstenaar, bij de eerste vermelding, het geboortejaar (en eventueel sterftejaar) tussen haakjes.

+ Geef een korte samenvatting van de opbouw van het paper.

+ Vermeld namen van auteurs de eerste keer met voornaam en achternaam.

+ In het geval van een voor jouw onderzoek zeer belangrijke bron, vermeld je de eerste keer dat je de bron noemt: de auteur met voor- en achternaam, evenals de titel en het jaartal van de publicatie.

+ Als je de achtergrond van de auteur weet, is het interessant om dat bij de eerste vermelding te noemen. Die vermelding is vooral noodzakelijk bij auteurs die uit een andere wetenschap komen, zodat het duidelijk wordt dat je interdisciplinair onderzoek hebt gedaan. Bijv.: ‘De sociaal geografe Doreen Massey merkt daarentegen op…’.

+ de inleiding is de plek om eventuele tegenargumenten aangaande jouw onderzoek alvast te ontkrachten.

 

Don’ts:

- Geef geen biografie van de kunstenaar in de inleiding. Geef alleen biografische informatie wanneer dit noodzakelijk is voor het beantwoorden van een vraag. Beantwoording van vragen vindt alleen plaats in het middendeel van het paper en dus nooit in de inleiding. Een biografie kan je eventueel in een bijlage toevoegen.

- Wetenschapsgebied of beroepsgroep is iets anders dan de functie van een auteur, bijv. hoogleraar of directeur, die niet van belang is om te vermelden. Ook de werkplek (naam van universiteit of museum) niet vermelden.

 

3.3 De inleiding als vingerafdruk van de auteur:

Er zijn grote verschillen tussen hoe auteurs hun stukken schrijven, en dit is in de Inleiding van een tekst al op te merken. De Inleiding reflecteert immers op de vorm van het artikel, terwijl  het middenstuk van een betoog zich richt op de inhoud. De Inleiding is daarom de plek waar de ‘vingerafdruk’ van de auteur is af te lezen. Je kunt eruit opmaken hoe een auteur zich positioneert in het discours, of hij/zij zichzelf als autoriteit ziet, of hij/zij vanuit een vraag of vanuit een hypothese werkt, etc. Op basis van die kennis kun je een auteur typeren en dat benoemen in jouw eigen tekst – dat geeft jou ook weer een eigen vingerafdruk.