1. Onderzoeksvragen

1.1 Vooronderzoek

 

Binnen het wetenschappelijk onderzoek wordt geprobeerd om nieuwe informatie te achterhalen, om een nieuwe visie te presenteren of om een probleem op te lossen. Dit gebeurt door het beantwoorden van een gerichte onderzoeksvraag: de vraag waarop door middel van onderzoek antwoord gegeven wordt. Daarom is het van groot belang om de vraag waar het hele onderzoek aan opgehangen wordt, goed te formuleren. De vraagstelling bakent immers het onderzoeksterrein af en biedt houvast om een stroom aan informatie te ordenen en te evalueren.

Zie syllabus Jaar 1

1.2 Van onderwerp tot vraagstelling

Voor een onderwerpskeuze, zie Syllabus Jaar 1

Lees van het onderwerp dat jou aanspreekt de bestaande literatuur en bezie of de auteurs elkaar tegenspreken en of er informatie ontbreekt. Vaak bieden de inleiding of conclusie van een artikel of boek aanknopingspunten tot verder onderzoek. Daarnaast is het een goed uitgangspunt om eerst zelf aandachtig te kijken naar het object dat je wilt onderzoeken om te zien of jou iets bijzonders opvalt, voordat je door de ogen van specialisten gaat kijken.

 

Bedenk je daarbij dat er verschillende invalshoeken zijn voor een onderwerpskeuze. Je kunt bijvoorbeeld uitgaan van:

  • de kunstenaar

(Let op, probeer niet in het hoofd van de kunstenaar te kruipen!)

  • het kunstwerk

    • de vervaardiging

    • het medium

    • stijlanalyse

    • analyse van beeldende aspecten

    • het onderwerp en de symboliek

  • de context

    • politieke context

    • culturele context

    • sociale context

    • filosofische context

    • positionering van het kunstwerk binnen de kunstgeschiedenis

    • relatie met de opdrachtgever

    • functie van het kunstwerk

  • de toeschouwer

 

Wanneer je een onderwerp gevonden hebt, vraag jezelf in ieder geval altijd af:

  1. ‘waar?’ (baken daarmee het gebied af),

  2. ‘wanneer?’ (baken de tijd af)

  3. ‘welke objecten?’ (baken het corpus van onderzoeksobjecten af)

 

Om vervolgens van het onderwerp tot een vraag te komen, is het belangrijk om het onderzoeksveld af te bakenen. Voor afbakening, zie eerst Syllabus Jaar 1. Afbakening maakt het onderzoek haalbaar. Afbakening vereist opnieuw vooronderzoek. Dit vooronderzoek heeft al meer focus dan het vooronderzoek dat je deed om tot een onderwerpskeuze te komen. Je moet nu te weten komen wat er al bekend is over het kunstwerk (of de gekozen kwestie als focus van het onderzoek), alvorens je kunt afbakenen. Formuleer datgene wat je opviel aan het kunstwerk of miste in de literatuur in vragende vorm.

1.3 Eisen aan een onderzoeksvraag

 
 

Zorg dat de vraag die hieruit voortkomt, voldoet aan de volgende eisen. De vraag is:

  • Beantwoordbaar: dat wil zeggen dat de vraag op basis van wetenschappelijk onderzoek binnen jouw discipline (of interdisciplinair) te beantwoorden is; en dat het haalbaar is om de vraag in de daarvoor bestemde tijd en het aangegeven aantal woorden te beantwoorden. Wanneer je de vraag met slechts een visuele analyse of met een beschrijving van het kunstwerk kunt beantwoorden, blijft het een beschrijvende of inventariserende vraag en dat is niet voldoende wetenschappelijk. De vraag kan voortkomen uit eigen waarnemingen, maar de vraag mag niet te beantwoorden zijn op basis van visuele analyses alleen. Er moet literatuuronderzoek nodig zijn om de vraag te kunnen beantwoorden.

 

  • Ondubbelzinnig: het moet duidelijk zijn waar de vraag op doelt.

 

  • Nauwkeurig: het onderwerp moet goed zijn afgebakend om te voorkomen dat het onderzoek vastloopt in te grote onderwerpen. Zorg daarom dat alle onderdelen van jouw onderzoeksvraag zo specifiek mogelijk zijn. Gebruik geen vage termen zoals ‘een kunstwerk’, of ‘andere kunstwerken’, maar benoem om welk(e) werk(en) het precies gaat.

Bijvoorbeeld: Niet ‘Waarin verschilt het gebruik van bladgoud in Tronende Maria met engelen en profeten (ca. 1280 – 1290) van dat in andere werken van Cimabue?’, maar benoem welk ander werk: ‘Waarom is het gebruik van bladgoud in Tronende Maria met engelen en profeten (ca. 1280 – 1290) van Cimabue anders dan dat in Maria met kind (1283)?’

 

  • Open: de vraag valt niet alleen met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden.

 

  • Neutraal geformuleerd: jouw idee over het antwoord op de vraag moet niet al verscholen liggen in de formulering. De formulering mag tevens geen waardeoordelen bevatten. Dit betekent dat jouw onderzoeksvraag op zichzelf moet kunnen staan en dat deze begrepen kan worden zonder dat de lezer eerst op de hoogte moet zijn van jouw standpunt.  

Bijvoorbeeld: een term zoals ‘daadwerkelijk’ doet vermoeden dat je eigenlijk al een mening hebt gevormd.

 

  • Gericht op brongebruik: uit de formulering van de vraag moet duidelijk zijn dat er bronnen geraadpleegd zullen worden voor de beantwoording. Die bronnen moeten bestaan uit wetenschappelijke teksten (secundaire bronnen), maar kunnen gecombineerd worden met primaire bronnen (bijv. manifesten, interviews) en visuele analyses.

 

  • Verwerkt in de lopende tekst: de onderzoeksvraag wordt gesteld in de lopende tekst en hoort dus niet uit te tekst te springen door middel van aanhalingstekens, cursief of vet gedrukte letters of witregels. Ook de deelvragen horen in de lopende tekst verwerkt te zijn en niet als een puntsgewijze lijst te worden vermeld.

  • Geformuleerd zonder haakjes: Wanneer je iets tussen haakjes zet, suggereer je dat die zinssnede ondergeschikt is aan de rest van de zin die niet tussen haakjes staat. In een onderzoeksvraag moet ieder aspect ertoe doen. Daarom kun je het je niet permitteren om sommige delen van de onderzoeksvraag weg te stoppen tussen haakjes.

  • Geen cirkelredeneringen: vermijd vragen die gelijk zijn aan de criteria voor de keuze van het onderzoeksobject. Wanneer je bijvoorbeeld een kunstwerk kiest omdat het zich op de grens bevindt tussen fotografie en digitaal gecreëerde beelden, stel dan niet de onderzoeksvraag “Valt dit werk onder fotografie of digitaal gecreëerd beeld?”. Ga voor de onderzoeksvraag een stap dieper dan alleen het benoemen of een kunstwerk past binnen het onderwerp van de opdracht.

 

De onderzoeksvraag is NIET:

  • Gelijk aan de titel of omschrijving van het onderwerp: De onderzoeksvraag hoort niet samen te vallen met de titel van het onderzoek of met een omschrijving van het onderwerp. De onderzoeksvraag is specifieker dan alleen het benoemen van het onderzoeksonderwerp en neutraler dan een titel. De titel mag immers prikkelend zijn en moet uitnodigen tot verder lezen.

 

  • Een hypothese: de onderzoeksvraag is geen hypothese. Hypotheses zijn aannames in de vorm van een statement die dienen als beginpunt voor de uiteenzetting van een theorie. Een aanname vereist een standpunt en is daarom niet zo neutraal als een onderzoeksvraag hoort te zijn.

 

  • Gelijk aan het onderzoeksdoel: Er bestaat een verschil tussen de onderzoeksvraag en het onderzoeksdoel. Sommige auteurs noemen expliciet het doel van hun onderzoek, zoals: “Mijn doel is om de Modernistische metafoor uit te diepen van een plat oppervlak als een besneeuwd landschap”. Het noemen van dit doel staat echter nog niet gelijk aan het formuleren van de bijbehorende onderzoeksvraag, die zou luiden: “Welk inzicht geeft de metafoor van een besneeuwd landschap in de Modernistische opvattingen?”

 

Wanneer er tijdens de beantwoording van de hoofdvraag teveel informatie wordt gegeven of teveel zijsporen worden aangesneden die niet direct relevant zijn, is dat een teken dat de onderzoeksvraag te breed geformuleerd is. Herformulering is dan vereist, waarbij je moet proberen om de hoofdvraag specifieker te maken. Het bijstellen van de onderzoeksvraag is een veelvoorkomend onderdeel van het schrijfproces. In de loop van vrijwel ieder onderzoek moet de vraag nog worden bijgesteld of aangescherpt. Pas in de afrondende fase moeten de conclusie en de onderzoeksvraag aansluitend worden gemaakt. Wees dus reflexief en flexibel.

1.4 Soorten onderzoeksvragen

 
Kritisch-analytische onderzoeksvragen

Wetenschappelijke onderzoeksvragen zijn in de kern ‘kritisch en analytisch’ van aard. Dat betekent dat de onderzoeker kritisch haar/zijn materiaal analyseert. Hieruit kunnen onderzoeksvragen voortkomen die expliciet kritisch-analytisch zijn. Dit soort vragen komen dan ook vaak voor in kunsthistorisch onderzoek, dus ook in werkstukken en scripties van studenten. In deze vragen worden bijvoorbeeld bewoordingen gebruikt zoals “Welke inzichten geven  …. [kern van theoretisch kader] in …. [hoofdaspect van casus/onderzoeksobject]?” of “Hoe kan ….. verklaren dat / duidelijkheid geven over ….?”

 

In het kunsthistorisch onderzoek zijn binnen de algemene noemer van ‘kritisch-analytische onderzoeksvragen’ verschillende specifiekere categorieën te onderscheiden. Hieronder leggen we uit dat bepaalde soort vragen vooral deel uitmaken van kunsthistorisch vooronderzoek, terwijl andere soorten vragen amper relevant zijn in het kunsthistorische onderzoeksveld. We geven hier enkele voorbeelden van categorieën van vragen die wel relevant zijn.  

  • Verklarende vraag

Met deze vraag probeer je de oorzaak van een fenomeen te achterhalen (‘Hoe komt het dat…? ‘Wat is de oorzaak van…?’ Wat verklaart fenomeen X?’). Dit betekent dat je zoekt naar verbanden, redenen, oorzaken, gevolgen. De vraag draait dus om een oorzakelijk verband.

Bijvoorbeeld:  “Waarom zijn de glas-in-loodramen van de Sint-Janskerk in Gouda niet vernietigd tijdens de beeldenstorm?” Of: “Hoe zijn de gekozen blikrichtingen in Cindy Shermans Untitled Film Stills te verklaren vanuit analytisch onderzoek van Hollywoodfilms?"

 

Iconografische vragen zijn ook verklarend van aard. De iconografie bestudeert de details in het onderwerp van een kunstwerk in relatie tot de betekenis zoals deze expliciet door de kunstenaar is aangebracht. De betekenis van het werk kan geduid worden door een verklaring te zoeken voor de verschillende beeldelementen.

Veel verklarende vragen van studenten gaan niet genoeg de wetenschappelijke diepte in. Bijvoorbeeld de vraag naar de intentie van de kunstenaar: ‘Waarom gebruikte kunstenaar X….’, of: ‘Wat bedoelde kunstenaar X met kunstwerk Y?’ suggereert dat je in het hoofd van de kunstenaar wilt kruipen. Ga niet psychologiseren. Om dit te voorkomen kun je zoeken naar een causaal verband dat inzicht oplevert over jouw kunstwerk zonder dat je daarbij de psyche van de kunstenaar betrekt.

In plaats van: ‘Wat bedoelde kunstenaar X te zeggen met de spanning tussen heden en verleden in kunstwerk Y?’, kun je beter vragen: ‘Welke sociaal-maatschappelijke contexten kunnen een aspect van de spanning tussen heden en verleden in kunstwerk X van kunstenaar Y verklaren?’ Zo zoek je naar een causaal verband (de oorzaak van de spanning tussen heden en verleden) zonder dat je psychologiserend te werk gaat. Je kunt het causale verband vinden door te kijken naar kenmerken van het kunstwerk en door het doen van literatuuronderzoek.  

Of: ‘Waarom veranderden de kenmerken van de snapshot toen kunstenaar X foto Y digitaal bewerkte?’ Hiermee verklaar je een verandering die is teweeggebracht door een bewerking door de kunstenaar zonder voor de beantwoording van deze vraag afhankelijk te zijn van de bedoeling van de kunstenaar.

  • Definiërende vraag

Deze vraag onderzoekt hoe een verschijnsel zich verhoudt tot een groter geheel. Door middel van een casus kom je tot een werkdefinitie waarin je op basis van literatuur definieert welke verwantschappen jouw onderzoeksobject vertoont met een breder debat. Vandaaruit kun je de definitie toetsen aan andere casussen en waarnemingen. Het grotere geheel helpt bij het verduidelijken waarin en waarom bepaalde aspecten relevant zijn voor inzicht in jouw onderzoeksobject, maar ook waarin en waarom aspecten van jouw onderzoeksobject daarvan afwijken, zodat je tot een transparante en genuanceerde definiëring van jouw object kan komen.

Het betreft hier niet het benoemen van overeenkomsten of verschillen tussen fenomeen A en context B. Het hoofddoel is om te achterhalen hoe fenomeen A zich verhoudt tot het grotere geheel van context B. Een vergelijkende aanpak maakt dus misschien wel onderdeel uit van de beantwoording van deze vraag, maar de vergelijking is hier niet het hoofddoel.  

Bijvoorbeeld: Hoe beantwoordt Villa Rotonda aan de regels voor architectuur die Palladio formuleerde in I quattro Libri dell’Architettura?’ Om deze vraag te beantwoorden moet je de kenmerken van de Villa Rotonda naast de door Palladio geformuleerde kenmerken leggen, maar dit doe je om te definiëren in hoeverre de Villa Rotonda benaderd kan worden als classicistische architectuur, en hoe het daarvan afwijkt, om inzicht in het onderzoeksobject te geven (en het te definiëren).  

Of: ‘Hoe verduidelijken aspecten X en Y uit debat Z kenmerk A van kunstwerk B?’

  • Vergelijkende vraag

Een vergelijkende vraag onderzoekt overeenkomsten en/of verschillen tussen twee of meer verschijnselen. Bijvoorbeeld het vergelijken van kunstenaar/kunstwerk A en B, of het vergelijken van een theorie en een kunstwerk als theoretische positie. 

De vergelijking moet een doel hebben dat dieper gaat dan alleen het vergelijken van plaatjes of lijstjes met kenmerken. De vergelijking is geen doel op zich, maar is er altijd op gericht om meer te weten te komen over jouw onderzoeksobject. Bedenk dus een goede reden waarom je gaat vergelijken. Hoe zal de vergelijking meer kennis opleveren over jouw object? Wanneer je twee zaken met elkaar vergelijkt moet het dus duidelijk zijn welke van de twee jouw hoofdonderwerp is. De vergelijking met het andere onderzoeksobject zet je in dat geval in om meer kennis te vergaren over jouw hoofdonderwerp. Er is dus, bij voorkeur, sprake van een prioritering tussen de te vergelijken zaken.

Bijvoorbeeld: ‘Hoe verschillen kunstwerk X en kunstwerk Y van elkaar wat betreft serialiteit?’. Deze onderzoeksvraag prioriteert niet tussen de beide kunstwerken en suggereert dat de vergelijking zelf het doel is. Als kunstwerk X het onderwerp van studie is, dan zet je kunstwerk Y in om meer te weten te komen over X en daarom kun je beter vragen: ‘Wat leert het verschil in serialiteit tussen X en Y ons over het vastleggen van tijd in X?’

 

Wanneer de vergelijkende vraag te beantwoorden is door middel van een visuele analyse of een inventarisatie, blijft de vraag steken op het niveau van vooronderzoek. Een wetenschappelijk verantwoorde vergelijking gaat dieper, dient een doel en vereist literatuuronderzoek.

Bijvoorbeeld: ‘Welke inzichten geven de classicistische ontwerpen van Madame Grès in de ontwerpen van Mariano Fortuny die verwijzen naar de Griekse Oudheid?

Of: ‘Wat is opmerkelijk aan de receptiegeschiedenis van Van Gogh in Frankrijk als we deze bestuderen tegen de achtergrond van de receptie van zijn werk in Nederland?’

  • Theorievormende vraag

Met behulp van deze vraag worden theorieën ‘gevormd’. ‘Vormen’ staat hier voor het boetseren, kneden of schaven aan bestaande theorieën. Sommige kunstwerken of ontwikkelingen blijken te schuren met bestaande theorieën. Wanneer het onderzoek naar een dergelijke case-study leidt tot het moeten verfijnen of bijschaven van de bestaande opvatting, is er sprake van theorievormend onderzoek. Dit levert nieuwe invalshoeken op, of meer nuance. Natuurlijk bestaat er ook onderzoek waarin volledig nieuwe theorieën geformuleerd worden, maar dat is uitzonderlijk.

Bijvoorbeeld: Hoe verhouden het debat rondom theorie A van auteur B over kwestie C zich tot kunstwerk D?

Of: 'Hoe verhoudt het debat rondom de theorie van Tom Nichols over het verdwijnen van het humanistisch narratief zich tot het schilderij Armoede van Tintoretto?'

Of: 'Hoe verhoudt de discussie rondom Kritische Gänge (1866) van Friedrich Vischer zich tot de tweedeling tussen geometrische en organische abstractie zoals deze later is geformuleerd door Clement Greenberg?'

Of: 'Tot welke nuances in de Klassieke Mimesistheorie leidt een analyse van Rodins buste van Camille Claudel (1911)?'

 

Theorievormende vragen kunnen kunst-filosofisch van aard zijn. Maar in tegenstelling tot de filosoof, die werkt vanuit de fundamentele aannames van de theorie, zal de kunsthistoricus zich vooral richten op kunsthistorische en kunsttheoretische kwesties.

 

Valkuil bij theorievormende vragen is het zoeken van ‘plaatjes bij praatjes’: onderzoeken of een kunstwerk goed past bij een theorie, of onderzoeken of een kunstwerk inderdaad is of doet wat de theorie voorschrijft. Hiermee is het kunstwerk in wezen ondergeschikt aan de theorie omdat je ervan uitgaat dat de theorie bepaalt hoe je het kunstwerk benadert. Voor kunsthistorisch onderzoek is het interessanter om te kijken hoe een kunstwerk een aanzet kan geven tot het aanbrengen van nuancering in een bepaalde theorie.

Bijvoorbeeld: ‘Hoe past kunstwerk X in theorie Y van denker Z?’ prioriteert de theorie boven het kunstwerk. Je kunt meer nadruk leggen op het kunstwerk dan op de theorie door te vragen hoe het kunstwerk noopt tot bijstelling van de theorie: ‘Tot welke nuances in theorie Y over [….] van denker Z leidt een analyse van [de … kenmerken van] kunstwerk X?’

Of: ‘Welke nuances in theorie A over onderwerp B van theoreticus C worden noodzakelijk door een bestudering van kunstwerk D?’

Overige vragen

Voor kunsthistorisch onderzoek zijn de volgende vragen (meestal) niet relevant:

  • Voorspellende vraag (“Welk effect zullen de huidige bezuinigingen hebben op musea?”)

  • Adviserende vraag (“Wat zouden musea kunnen doen om meer bezoekers te trekken?”)

  • Evaluerende vraag (“Heeft de nieuwe collectiepresentatie meer bezoekers getrokken?”)
     

Dit zijn vragen die over het algemeen aansluiten bij statistisch onderzoek. Dit soort vragen maken meestal deel uit van kwantitatief onderzoek, waarbij conclusies worden getrokken op basis van aantallen in verzamelde data. Kunsthistorisch onderzoek is meestal kwalitatief onderzoek, waarbij conclusies worden getrokken op basis van kritische analyse van het onderzoeksmateriaal.

 

De inventariserende vraag ('Welke thema’s zijn te vinden in de Nederlandse schilderkunst in het Interbellum?') en de beschrijvende vraag ('Hoe heeft Geertgen tot Sint Jans het thema van De Aanbidding der Koningen uitgebeeld?') zijn voor kunsthistorisch onderzoek wel van belang, maar maken vooral deel uit van het vooronderzoek.

 

Het zijn vragen die een verschijnsel in kaart brengen (‘wie’, ‘wat’, ‘welke’, ‘wanneer’, ‘waar’, ‘hoe’, ‘welke kenmerken’) dat meestal geen kunsthistorisch onderzoek behoeft. Je hoeft alleen te beschrijven en te inventariseren wat je ziet en dat is niet voldoende wetenschappelijk. Bijvoorbeeld: 'Welke onderwerpen schilderde Picasso tijdens zijn Blauwe Periode?' Het antwoord op deze vraag zou slechts bestaan uit een opsomming van onderwerpen aan de hand van een visuele analyse. Een betere vraag zou bijvoorbeeld zijn: 'Hoe verhoudt de Blauwe Periode van Picasso zich tot de sociaaleconomische situatie waarin hij verkeerde in Parijs?'

 

Wanneer je moeite hebt met het bepalen van de onderzoeksvraag, is het handig om de probleemstelling of het onderwerp in verschillende vraagvormen te gieten. Probeer te achterhalen wat iedere vraagvorm voor soort onderzoek impliceert en beoordeel op basis daarvan welke vraagvorm het beste past bij jouw casestudy.

1.5 Verhouding onderzoeksvraag – methode van onderzoek

Het is belangrijk om te beseffen dat de verschillende vraagstellingen elk een eigen soort onderzoek veronderstellen. Dat wil zeggen dat de onderzoeksvraag en de onderzoekmethode in elkaar grijpen. De methode van aanpak volgt uit de soort vraag. De onderzoeksvraag bepaalt dus niet alleen de uitkomst van het onderzoek, maar ook de manier waarop jij onderzoek gaat doen. Daarom is de formulering van de vraag een precaire kwestie. De gekozen woorden en daarmee de gekozen vraagsoort bepalen hoe jij je gaat verhouden tot de bronnen en casestudies. Ga je vergelijken, dan moet je meerdere onderzoeksobjecten hebben. Ga je verklaren, dan moet je zoeken naar een causaal verband dat zich ophoudt rondom jouw casestudy. Ga je definiëren, dan moet je de kaders van definitie opstellen. En ga je ‘kneden’ aan een theorie, dan moet je de betreffende theorie en het debat daarover schetsen alvorens je daarin nuanceringen kunt aanbrengen met een analyse van een kunstwerk.

1.6 Woordkeuzes in onderzoeksvragen

 
 
 
 
 
 
 

Zoals gebleken is, staat of valt de onderzoekvraag met een juiste formulering. Ongeacht wat voor soort onderzoekvraag je kiest (verklarend, vergelijkend, definiërend, etc.), is het belangrijk om deze zeer nauwkeurig te formuleren. Enkele tips:

 

DO’S:
  • Benoem kunstenaar en kunstwerk volledig.

Dus niet: 'Met welke materialen vervaardigde hij deze collage?'. Maar: 'Met welke materialen vervaardigde kunstenaar X (voornaam en achternaam) de collage Y (titel werk plus jaartal)?'
 

  • Houd rekening met de hoeveelheid mogelijke antwoorden die voort kunnen komen uit de vraag.

'Wat is de betekenis van…' of 'Wat is de inspiratiebron voor…' veronderstelt één antwoord, terwijl meerdere mogelijke antwoorden kunnen voortkomen uit formuleren zoals: 'Tot welke inzichten leidt de…' of 'Waarop baseerde kunstenaar X…'  

Hetzelfde gaat op voor het toevoegen van het woord ‘en’. Als je ‘en’ opneemt in de vraag, voeg je eigenlijk een tweede onderzoeksvraag toe. Dit betekent dat je meer antwoorden moet aandragen en dus een groter onderzoek moet doen. Laat zo’n toevoeging alleen staan als je weet dat er voldoende tijd en ruimte is om de antwoorden te vinden. Het kan niet zo zijn dat jouw onderzoeksvraag bestaat uit meerdere vragen terwijl de conclusie slechts antwoord geeft op één van die vragen.

  • Wees zo specifiek mogelijk.

'Welke overeenkomsten/verschillen bestaan er tussen kunstwerk A en B?' maakt niet duidelijk naar wat voor soort overeenkomsten of verschillen je op zoek gaat en is tevens een te beschrijvende vraag. Specificeer naar: 'Welke stilistische overeenkomsten en verschillen bestaan er tussen kunstwerk A en kunstwerk B?' of: 'Welke verschillen in receptiegeschiedenis zijn er aan te wijzen tussen kunstwerk A en kunstwerk B?', etc.

Een term als ‘belang’ is bijvoorbeeld erg problematisch, omdat de term vaag is. Bedoel je invloed op, positie ten opzichte van anderen, etc.? Denk daarom na over iedere term in de vraagstelling en hoe deze geïnterpreteerd kan worden. Baken de interpretatiemogelijkheden zo ver mogelijk af door te termen te specificeren tot de begrippen die jij zult behandelen.
 

  • Gebruik wetenschappelijke formuleringen.

Dat wil zeggen dat je de vraag zo moet formuleren, dat de antwoorden controleerbaar en objectief worden. Vermijd spreektaal en omslachtige omschrijvingen zoals: 'Hoe heeft schilder X ongeveer zijn ontwikkeling doorlopen?',  'Waarom zijn er eindeloos veel variaties op dit thema?', of 'Waarom zijn kunsthistorici het zo met elkaar oneens over de interpretatie van schilderij Y?'. Pas dit aan naar: 'Hoe heeft schilder X zijn stilistische ontwikkeling in de periode Y-Z doorlopen?', of: 'Waarom bestaan er variatie A, B en C op thema X?' en: 'Waarom verschillen kunsthistorici A, B en C van mening over de interpretatie van schilderij Y?'

Voor meer tips omtrent wetenschappelijke formuleringen, zie Schrijfstijlen, Wetenschappelijke teksten.
 

  • Varieer met de formulering.

Daag jezelf uit de scherpst mogelijke formulering te vinden. Dit kun je doen door alle ideeën voor de onderzoeksvraag in verschillende bewoordingen onder elkaar te schrijven. Al schuivend met woorden ontdek je welke termen de kernwoorden van jouw onderzoek zijn; die verhuizen iedere keer mee naar een nieuwe formulering. Andere woorden vallen af of blijken beter te passen als je er een synoniem voor zoekt. Probeer ook te spelen met de lading van de vraagwoorden. Bij een verklarende vraag zijn we bijvoorbeeld snel geneigd te kiezen voor ‘waarom’, maar dwing jezelf eens om een ander vraagwoord te verzinnen; welk verschil in nuance levert dat op?

  • Een onderzoeksvraag hoeft niet altijd in vragende vorm te worden geformuleerd.

Ook door middel van een niet-vragende zin kan een onderzoeksvraag in de tekst verwerkt worden, bijvoorbeeld: “De eerste deelvraag richt zich op welke…”, of: “In dit onderzoek wordt duidelijk gemaakt welke inzichten…”.

 

DON’TS:
  • Ga niet psychologiseren

Wanneer je je afvraagt waarom een kunstenaar iets deed of wat de kunstenaar probeerde te zeggen met een werk, dan kruip je in het hoofd van de kunstenaar. Als je wilt weten wat iemand dacht, voelde of dreef, bedrijf je psychologie in plaats van kunstwetenschap. Zielenroerselen zijn niet te achterhalen met kunsthistorisch onderzoek. Een ander probleem is dat je voor de beantwoording van dergelijke vragen volledig afhankelijk bent van opmerkingen van de kunstenaar (en die vaak veel later worden gemaakt op basis van een vervormend geheugen). Je bent dan afhankelijk van één bron, namelijk een uitspraak van de kunstenaar, die ook nog eens subjectief van aard is. Je staat als onderzoeker sterker als je je baseert op tal van objectiveerbare bronnen. Deze kun je eventueel aanvullen met een uitspraak of mening van de kunstenaar, maar jouw onderzoek mag er niet volledig van afhankelijk zijn.

Bijvoorbeeld: 'Wat probeerde kunstenaar X te zeggen met kunstwerk Y?'. Of: 'Welke boodschap wilde kunstenaar X overbrengen door het gebruik van materiaal Y?'. Beter zou zijn: 'Wat voegt het gebruik van materiaal Y door kunstenaar X toe aan mogelijkheden in het uitbeelden van ….?'

 

  • Vermijd termen zoals origineel, belangrijk, betekenis

Termen zoals ‘origineel’, ‘originaliteit’, ‘grensverleggend’, ‘belangrijk’, en ‘betekenis’ kunnen problematisch zijn in de onderzoeksvraag. Meestal omdat deze termen afkomstig zijn uit een heel specifiek vakgebied. Als dat vakgebied niet precies is waarop jouw onderzoeksvraag zich richt, dan moet je oppassen. Kwesties van originaliteit (“het is uniek”), grensverlegging en belang kennen we bijvoorbeeld vooral uit de kunstkritiek. In dat vakgebied is het gebruikelijk om waardeoordelen toe te kennen aan kunstwerken, maar in de wetenschap vermijden we dergelijke oordelen liever, omdat die persoonlijk van aard zijn en dus moeilijk te objectiveren zijn.

Origineel

'Werkte Niki de Saint-Phalle op originele wijze met epoxy?' Beter is om je bijvoorbeeld af te vragen hoe haar gebruik van epoxy zich verhoudt tot het traditionele gieten van sculptuur. Door je onderzoeksvraag zo te formuleren vermijd je het toekennen van een persoonlijk waardeoordeel en onderzoek je toch hoe het gieten van epoxy zich verhoudt tot de kaders waarin De Saint-Phalle zich bewoog.

Grensverleggend

'Hoe grensverleggend is kunstwerk X van kunstenaar Y geweest voor het medium fotografie?' De mate waarin iets grensverleggend is, is afhankelijk van een persoonlijk standpunt en daarom is dit net zoals originaliteit een vraagstuk dat moeilijk wetenschappelijk onderbouwd kan worden.

Betekenis

Vragen naar de betekenis van een kunstwerk kennen we vooral uit de iconografie. In de iconografie zijn vaste parameters opgesteld (beeldelementen) waarmee je betekenis kunt toedichten aan een afgebeelde scene. Als je niet bewust iconografisch onderzoek wilt doen, moet je oppassen met vragen naar betekenis, want dat wordt al gauw vragen naar een onderbuikgevoel. De onderzoeker vraagt dan eigenlijk wat dit kunstwerk voor hem of haar uitdrukt, maar dit overstijgt het niveau van een persoonlijke interesse of een persoonlijk gevoel niet.

Enkele slechte voorbeelden: 

  • 'Wat is het belang van de genreschilderkunst in de Gouden Eeuw?'

Belang is een vage term. Wat versta je onder genreschilderkunst? Welke periode van de Gouden Eeuw ga je behandelen?

  • 'Heeft de analoge fotografie overeenkomsten met het medium schilderkunst?'

Deze vraag valt te beantwoorden met alleen ‘ja’ of ‘nee’. Dit kun je vermijden door complexere vragen te stellen die ingaan op het ‘hoe’ en het ‘waarom’ van de kwestie:  'Welke kenmerken leent de analoge fotografie van het medium schilderkunst?', of 'Waarom leent de analoge fotografie van de schilderkunst?', etc.

  • 'Welke invloed had de primitieve kunst op de beeldende kunst in de 20ste eeuw?'

Deze vraag heeft wel een afbakening in tijd, maar die is nog altijd veel te breed. Ook in dit geval is onduidelijk wat met sommige woorden wordt bedoeld. Wat versta je onder primitieve kunst? Beter zou zijn: 'Hoe kwam Picasso aan het begin van de 20ste  eeuw in aanraking met de primitieve Afrikaanse kunst en hoe verwerkte hij dat in zijn schilderkunst?'

1.7 De wetenschappelijke praktijk

Overlap tussen onderzoeksvragen

Onderzoeksvragen zijn in de praktijk meer fluïde dan de afbakening in bovenstaande categorieën suggereert. De vraagtypen kunnen in elkaar grijpen. Zo kan het zijn dat je voor een definiërende vraag deels een vergelijkende vraag moet beantwoorden. Of het kan zijn dat je eerst definiërend te werk moet gaan voordat je een theorievormende vraag kunt beantwoorden. Een dergelijke ‘glijdende schaal’ tussen typen onderzoeksvragen tekent zich vaak af tussen de deelvragen waarin de hoofdvraag uiteenvalt.

Bijvoorbeeld: Bij een definiërende vraag test je hoe jouw casestudy zich verhoudt tot een groter geheel. Stel dat je je afvraagt hoe twee casestudies zich verhouden tot het grotere geheel, dan begin je definiërend en glijdt het onderzoek daarna richting vergelijking.

 

De tweetrapsraket

In de praktijk wordt een onderzoeksvraag zelden uit het niets gepresenteerd. De vraag wordt meestal eerst ingeleid met een voorbereidende zin, of met een voorbereidende alinea in complexere onderzoeken, alvorens de specifieke vraag over de casestudy wordt gesteld. Zo vindt de ‘lancering’ van de onderzoeksvraag vaak plaats in twee fasen; de inleidende fase en de fase waarin de vraag gesteld wordt. In de inleidende fase kun je bijvoorbeeld het ‘waarom’ bespreken; de reden van onderzoek doen, door bijvoorbeeld de kenmerken van het kunstwerk te benoemen die aanleiding gaven tot jouw onderzoek. Het tweede deel van de lancering bevat het ‘wat’: wat ga je doen? Dat bevat de daadwerkelijke onderzoeksvraagzin. Zie Inleiding voor nadere uitleg over de verdeling van de verschillende componenten van de inleiding.


 

1.8 Verhouding hoofd- en deelvragen

Lees, alvorens verder te gaan, eerst nog eens ‘Opsplitsing in deelvragen’ van Jaar 1.

 

De hoofdvraag valt uiteen in verschillende deelvragen. Het is verstandig om de deelvragen tegelijk met de hoofdvraag te formuleren als een samenhangend geheel. De deelvragen volgen elkaar logisch op en geven samen een compleet antwoord op de hoofdvraag. Zo overkoepelt de hoofdvraag de verschillende deelvragen. Uit de volgorde van de deelvragen vloeit vervolgens de opbouw van je paper voort.

 

Begin elk deelonderzoek (dus elk hoofdstuk) met enkele alinea’s waarin je de deelvraag introduceert en eindig elk deelonderzoek met een concluderende opmerking met betrekking tot de deelvraag.

 

Er kunnen zich enkele probleemsituaties voordoen, die op te lossen zijn door te schuiven met de verdeling van het onderwerp over de deelvragen:

  1. De deelvragen staan wel met het onderwerp in verband, maar zijn irrelevant voor de hoofdvraag.
    Bijvoorbeeld: Hoofdvraag: 'Hoe hebben feministische denkers op het schilderij Olympia van Manet gereageerd?'. Deelvraag: 'Welke hedendaagse kunstenaars zijn door Olympia van Manet beïnvloed?'
    Deze deelvraag heeft verband met het onderwerp, maar valt buiten het kader van de hoofdvraag. Pas daarom de deelvraag aan, of verbreed de hoofdvraag als je dit onderwerp toch belangrijk vindt om te behandelen.
     

  2. Een van de deelvragen is gelijk aan de hoofdvraag.
    Wanneer je via een logische opvolging van deelvragen tot de hoofdvraag probeert te komen, kan het voorkomen dat de laatste deelvraag samenvalt met de hoofdvraag. Besef dan dat het niet de bedoeling is om via de deelvragen tot de hoofdvraag te komen, maar dat de hoofdvraag uiteen moet vallen in de verschillende deelvragen. Anders zijn de eerste deelvragen weinig relevant voor het onderzoek en dienen ze alleen ter inleiding van het onderwerp. Zorg daarom dat alle deelvragen de hoofdvraag ondersteunen.
    Bijvoorbeeld: Hoofdvraag: “Wat is de betekenis van de aap op dit schilderij?”. Deelvraag 1: “Wat is er op dit schilderij afgebeeld?”. Deelvraag 2: “Welke rol speelt de aap in contemporaine schilderijen?”. Deelvraag 3: “Wat is de betekenis van de hier afgebeelde aap?”.
     

  3. De deelvragen geven afzonderlijk antwoord op een deel van de hoofdvraag, maar beantwoorden de hoofdvraag samen niet volledig.
    Bijvoorbeeld: Hoofdvraag: “Waarom verschillen auteur A en auteur B van mening over de iconografie van schilderij X?”. Deelvraag 1: “Wat staat er afgebeeld op schilderij X?”. Deelvraag 2: “Hoe interpreteert auteur A dit?”. Deelvraag 3: “Hoe interpreteert auteur B dit?”. 
    Hierbij ontbreekt nog de verklaring voor het meningsverschil tussen auteur A en B. Vooralsnog is alleen de aard van de verschillen in beeld gebracht zonder het ‘waarom’ uit de hoofdvraag te beantwoorden. Een mogelijke oplossing is om het aantal deelvragen uit te breiden, of om de bestaande deelvragen breder te maken door te vragen: “Hoe onderbouwt auteur A zijn interpretatie en vanuit welke context is die keuze te verklaren?” en “Hoe onderbouwt auteur B zijn interpretatie en vanuit welke context is die keuze te verklaren?”. 
     

1.9 Aanpassingen onderzoeksvraag tijdens het schrijfproces

Kom je tijdens het onderzoeks- of schrijfproces ineens informatie tegen die alles op zijn kop zet? Blijf dan flexibel en durf je vraagstelling aan te passen. Probeer daarbij – indien mogelijk – vast te houden aan je onderwerp en eigen invalshoek.

 
 
 
 
 

BA Leerlijnen Kunstgeschiedenis - Universiteit Leiden

Eva le Clercq & Helen Westgeest - h.f.westgeest@hum.leidenuniv.nl

Colofon

Dit werk valt onder een CC BY NC SA NL 3.0-licentie.