BA Leerlijnen Kunstgeschiedenis - Universiteit Leiden

Eva le Clercq & Helen Westgeest - h.f.westgeest@hum.leidenuniv.nl

Colofon

Dit werk valt onder een CC BY NC SA NL 3.0-licentie.

5.Tips voor het Nederlands

Enkele tips voor het Nederlands en enkele andere adviezen die te maken hebben met de structuur en lay-out van een werkstuk of scriptie:

1. Schrijf in lopende zinnen.

Gebruik geen telegramstijl. Gebruik ook geen verzelfstandigde bijzinnen: “De kunstenaar maakt geen gebruik van perspectief. Ofschoon hij dat wel kon.”

 

2. Gebruik zo weinig mogelijk citaten.

Parafraseer de gelezen tekst. Als je heel dringende redenen meent wel een citaat te moeten gebruiken, geef dat dan heel duidelijk aan door middel van (dubbele) aanhalingstekens. In een voetnoot vermeld je dan waar je citaat vandaan hebt.

 

3. Gebruik vooral Nederlandse woorden en begrippen.

Als je een woord in een andere taal gebruikt, cursiveer dat dan: Quattrocento, chiaroscuro.

Voor termen als entablature, elevation, pediment, carving, complementary colours enz. bestaan passende Nederlandse termen. ‘Dit kunstwerk wordt geattribueerd aan Jan van Eyck’ is dus niet goed. De correcte Nederlandse term is : ‘toegeschreven’.

 

4. Cursiveer boektitels.

Als je een boektitel noemt in je verhaal of de naam van een tijdschrift, moet je die cursiveren, net als in een literatuurlijst.

 

5. Literatuur en Noten.

Ook al is het een Literatuurlijst, je schrijft erboven en je vermeldt het in je Inhoudsopgave als ‘Literatuur’, eventueel ‘Geraadpleegde Literatuur’ en niet ‘Literatuurlijst’ of ‘Bibliografie’. Datzelfde geldt ook voor het ‘Notenapparaat’: in de Inhoudsopgave vermeld je ‘Noten’, eventueel ‘Eindnoten’.

 

6. Gebruik alinea's.

Als je een nieuw aspect ter sprake brengt in je verhaal, maak je een nieuwe alinea.

7. Spelling: d/t/dt.

“Ik word; hij/zij wordt”; “dit betekent”; “dit heeft geleid tot”.

Voor uitgebreidere toelichting en hulp bij werkwoordspelling, zie Het Groene Boekje of: http://woordenlijst.org/#/

8. Meervoud/Enkelvoud

Als het onderwerp van een zin enkelvoud/meervoud is, moet het werkwoord ook enkelvoud/meervoud zijn. “Compositie en ordonnantie zijn belangrijke onderdelen van de beeldanalyse.”

 

9. Geen punt

Er hoeft geen punt te staan achter de titel van een boek, hoofdstuk of paragraaf.

 

10. Die, dat, wat

De man die, de vrouw die, het kind dat <-> datgene wat.

“Het kunstwerk wat (…)” is dus niet correct.

 

11. Eeuw

De 18de eeuw/achttiende eeuw; de 20ste eeuw/twintigste eeuw.

Dertiende-eeuwse paneelschilderkunst. Twintigste-eeuwse architectuur.

 

12. Twee of drie

Twee of drie kunstenaars, achttien of twintig kunstwerken; twee- of driedimensionaal (voluit). Pas bij 21 en hoger gebruik je (arabische) cijfers.

 

13. Zijn en haar

De man en zijn jas, de vrouw en haar hond, het kind en zijn fiets.

“Het hedendaagse Amsterdam en zijn grachten”.

 

14. Meervouds–n

Meervouds–n bij bijvoeglijke naamwoorden: alleen als het om personen gaat.

“De kunstenaars (…) allen (…)”; “de kunstwerken (…) alle (…)”.

 

15. '....' en "...."

Er is verschil tussen ‘…..’ (accentueren van een of enkele woorden) en “…..” (citaat).

 

16. ‘ik’ of ‘mij'

Gebruik nooit ‘ik’ of ‘mij’, behalve in de Verantwoording en de Conclusie van een werkstuk of scriptie.

 

17. Een groot aantal...

“Een groot aantal/een groep kunstenaars heeft (…)”.

 

18. Enkelvoud, meervoud

Enkelvoud ‘categorié’; meervoud ‘categorin’.

Enkelvoud ‘kolónie’; meervoud ‘koloniën’.

 

19. Tussen haakjes

Zet geen zinnen of delen van een zin tussen haken. Liggende streepjes zijn eventueel wel te gebruiken, zij het met mate. En als je toch haken gebruikt, is de volgorde: letter – spatie – haakje openen – letter(s) - haakje sluiten.

 

20. Boektitel en titels van artikelen

Niet alleen in de literatuurlijst maar ook in de lopende tekst wordt een boektitel gecursiveerd en de titel van een artikel aangegeven met inverted komma’s (‘…’).

“In de inleiding van Gardner’s Art through the Ages (…)”.

“In het artikel van Willemijn Fock, getiteld ‘Werkelijkheid of schijn. Het beeld van het Hollandse interieur in de zeventiende-eeuwse genreschilderkunst’, verschenen in Oud Holland (…)”

 

21. Volgorde

De volgorde is (…) letter – leesteken – spatie – (hoofd)letter, behalve bij een schuine streep (backslash). In dat geval staat de ‘tweede’ letter direct achter het leesteken; bijvoorbeeld: Cultuurgeschiedenis/Culturele context.

 

22. Bijvoeglijke bepalingen

Bijvoeglijke bepalingen horen altijd bij het onderwerp van de zin. “Moe maar voldaan keerden wij naar huis terug” is een goede zin. “In zeer slechte staat moest de restaurateur het schilderij verdoeken”, klopt grammaticaal niet. De bijvoeglijke bepaling moet terugslaan op het onderwerp van de zin.

 

23. Overeenkomst in geslacht en getal

Als een persoonlijk voornaamwoord terugslaat op een eerder gebruikt zelfstandig naamwoord, moet het daarmee overeenkomen in geslacht en getal. “Iedere kleur heeft twee variabelen: de hoeveelheid licht dat het weerkaatst en de zuiverheid” of: “Het object wordt frontaal afgebeeld; zij krijgt daardoor een zeer speciale betekenis”.

Wat klopt er niet in deze beide gevallen?

 

24. Afkortingen

Gebruik geen afkortingen in de lopende tekst. Schrijf alles voluit, dus niet bijv., i.v.m., o.a., enz. en etc. Ook ‘2D’ of ‘3D’ moet voluit worden geschreven: tweedimensionaal of driedimensionaal. Lidwoorden mag je ook niet inkorten tot ‘t’: schrijf niet “t kunstwerk’, maar voluit ‘het kunstwerk’. In een werkstuk is alleen toegestaan de afkorting: ‘afb.’ (afbeelding + nummer). In de noten en de literatuurlijst mag je wel afkortingen gebruiken, bijvoorbeeld: ‘op. cit.’ (opus citatum) in combinatie met ‘z.n.’ (zie noot), ‘e.a.’’ (en anderen). In het onderschrift van een afbeelding mag je de afkorting: ‘inv. nr.’ (inventaris nummer) gebruiken.

 

25. Herhalingen

Vermijd herhalingen binnen één zin of binnen één alinea: “Men kan ook meer te weten komen over een werk door multidisciplinaire inlichtingen, waar men bijvoorbeeld met een scheikundige achter de datum kan komen van een werk door te weten te komen hoe bepaalde materialen chemisch in elkaar zitten.”

 

26. Interpunctie

Wees je bewust van het belang van interpunctie. Als een zinsdeel een eigen onderwerp en een eigen werkwoord heeft, kun je niet altijd volstaan met een komma als scheiding tussen een voorafgaand en volgend zinsdeel. Een punt-komma of een punt zijn dan veel meer op hun plaats.

 

27. Tijden

Gebruik voor het werkwoord in de hoofdzin en in de bijzin dezelfde tijd (tegenwoordige tijd of verleden tijd).

 

28. Wees consequent

Wees consequent in je aanpak, formulering en spelling.

 

29. Geen Nederlands

‘Rembrandt zijn etsen’ is geen Nederlands; ‘hem zijn boek’ ook niet.

 
30. Conclusie

In een Conclusie behoor je geen nieuwe informatie aan te dragen.

 

31. Paginanummers

Elke pagina hoort een eigen paginanummer te hebben, ook de titelpagina, ook al vermeld je het cijfer in dat geval niet.

 

32. Namen

Als je iemand met zijn volledige naam noemt, is het bijvoorbeeld: Vincent van Gogh, Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en Gustaaf de Smet. Als je alleen de achternaam gebruikt wordt het: Van Gogh, Van Eyck, Van der Weyden en De Smet.

 

33. Aan elkaar vast of met koppelteken

Je kunt zelfstandige naamwoorden die bij elkaar horen niet zomaar naast elkaar zetten, bijvoorbeeld ‘literatuur onderzoek’, ‘kleuren lithografie’ of ‘Jugendstil meubels’. Soms moet je ze aan elkaar vast schrijven en soms krijgen ze een koppelteken. Daarvoor bestaan vaste regels. Als je niet zeker bent van de correcte schrijfwijze, zoek deze woorden dan op in een recente editie van het Groene boekje of de Dikke van Dale.

 

34. Verbindings-s of tussen-s

Zelfstandige naamwoorden die aan elkaar vast worden geschreven, krijgen meestal een extra ‘verbindings-s’ of ‘tussen-s’, bijvoorbeeld ‘makelaarskantoor’ of ‘stationsgebouw’.

Als het tweede woord met een ‘s’ begint, betekent dat het nieuwe woord meestal twee ‘ss-en’ heeft, bijvoorbeeld stationsstraat, eerstejaarsstudent of oudejaarsstudent.

Dat klopt niet altijd. De ‘verbindings-s’ is niet altijd verplicht.

Sommige woorden kunnen op twee manieren worden geschreven, bijvoorbeeld onderzoekstage/onderzoeksstage en ook onderzoekinstituut/onderzoeksinstituut. Wees wel consequent binnen eenzelfde tekst. Ook hiervoor geldt: raadpleeg bij twijfel het Groene Boekje of de Dikke van Dale.

35. Titulatuur.

Correct geschreven zijn de volgende titels: prof.dr.mr. C.P.B. Pietersen en prof.ir. A.B.C. Janssen.

- Alle titels zonder hoofdletters met puntjes, zonder spatie. De eerste titel wordt alleen geschreven met een hoofdletter aan het begin van nieuwe zin of in een lijst met namen. ‘Prof.’ staat altijd vóór ‘dr.’ en/of ’mr.’

- Alle voorletters met hoofdletters en puntjes, zonder spatie.

- Tussen de titels en de voorletters staat een spatie.

- Tussen de voorletters en de achternaam staat een spatie.

- Aan de titel is niet te zien of het om een man of een vrouw gaat.

- In een literatuurlijst gebruik je geen titels.

 

36. Je kunt, je zult

Schrijf niet: ‘je kan’, maar ‘je kunt’ en ook niet ‘je zal’, maar ‘je zult’.

 
37. Universiteit Leiden

De Leidse Universiteit is een Rijksuniversiteit maar heeft in het recente verleden de naam veranderd in ‘Universiteit Leiden’. Je kunt dus ook schrijven ‘de Leidse Universiteit’ maar niet ‘de Universiteit van Leiden’.

 

38. Nadruk

Als je nadruk wilt geven aan een woord of een passage in de tekst, kun je dat woord of die passage cursiveren. Gebruik daarvoor geen vet en geen onderstrepingen.