BA Leerlijnen Kunstgeschiedenis - Universiteit Leiden

Eva le Clercq & Helen Westgeest - h.f.westgeest@hum.leidenuniv.nl

Colofon

Dit werk valt onder een CC BY NC SA NL 3.0-licentie.

3. Verantwoording

Voor de verantwoording van de literatuur gaan we uit van de Chicago referentiestijl die in de geesteswetenschappen gebruikelijk is.

De titelbeschrijving van een boek bestaat uit de volgende drie hoofdbestanddelen:

  1. auteur

  2. titel

  3. plaats van uitgave, naam van de uitgever en jaar van uitgave.

 

Deze bibliografische eenheden worden gescheiden door punten, een dubbele punt en afgesloten met een punt.

Bijvoorbeeld:

Straten, R. van. Inleiding in de iconografie. Muiderberg: Coutinho, 1985.

 

Auteur

Vermeld alle voorletters van een auteur, maar zonder titulatuur (prof., dr., mr., ir., Sir, enz.).

Je kunt de voorletter(s) vóór of achter de achternaam van de auteur zetten, als je maar steeds één methode hanteert: P. Pietersen of Pietersen, P.

Let in dat laatste geval op bij samengestelde achternamen. Als je de achternaam voorop wilt zetten, wordt H. van der Grinten: Grinten, H. van der.

 

Bij dubbele achternamen wordt in dat geval het eerste deel van de achternaam eerst vermeld:

  • Prof.dr. Th.H. Lunsingh Scheurleer wordt: Lunsingh Scheurleer, Th.H. 

  • Jhr. J.A. van Lidt de Jeude wordt: Lidt de Jeude, J.A. van

In noten met een verkorte titelbeschrijving wordt alleen de achternaam gebruikt (zie Twee nootsystemen, Citaten en noten).

 

Bij twee en drie auteursnamen moeten beide/alle namen worden vermeld, gescheiden door een komma; bij meer dan drie namen schrijf je na de derde naam: , e.a. (= en anderen). Tentoonstellingscatalogi en bundels hebben vaak meerdere auteurs en een eindredacteur. In dat geval wordt alleen die eindredacteur genoemd: Silve, S. (red.)

 

Anonieme uitgaven worden in de literatuurlijst ingevoegd op het eerste woord van de titel. Als dat een lidwoord is, gebruik je het eerstvolgende zelfstandige of bijvoeglijke naamwoord.

Bijvoorbeeld:

  • Twintig jaar buismeubelen bij de Bijenkorf. Den Haag: De Bijenkorf, 1975, wordt ingevoegd onder de T.

  • Het Belgische interieur in de 19de eeuw. Leuven: Interieurpers, 1984, wordt ingevoegd onder de B.

 

Titel

Raadpleeg voor de titel steeds de titelpagina. Deze bevat meestal meer informatie dan de omslag van het boek. Vooral de ondertitel ontbreekt nogal eens op de omslag.

 

  • Cursiveer titel en ondertitel (gescheiden door een dubbele punt).

  • Begin titel en ondertitel met een hoofdletter.

 

Bij een boektitel in het Engels worden de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden met een hoofdletter geschreven. Bij Nederlandse titels gebeurt dat meestal niet. Eigennamen worden natuurlijk wel met een hoofdletter geschreven.

Bij een boektitel in het Duits moeten de zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter worden geschreven. Dat is een grammaticale regel. Ook eigennamen worden met een hoofdletter geschreven.

Bijvoorbeeld::

Grisebach, K. Carl Friedrich Schinkel: Architekt Städtebauer Mahler. Frankfort a/d Main/Berlijn: Ullstein Kunstbuch, 1983.

en

Pollitt, J.J. The Ancient View of Greek Art: Criticism, History and Terminology. New Haven/Londen: Pelican, 1974.

 

Je kunt te maken krijgen met de volgende complicaties:

  • Als een boek uit meerdere delen bestaat, dan moet dit worden vermeld achter de titel plus eventuele ondertitel. In een literatuurlijst noem je alle delen, ook al heb je er maar één gebruikt. Let wel: in de noten geef je aan welk specifieke deel je hebt gebruikt.

Bijvoorbeeld:

Pevsner, N. Studies in Art, Architecture and Design. 2 delen, Londen: Thames and Hudson, 1968.

 

  • Als een boek tot een bepaalde serie behoort, vermeld je de naam van de serie en het (eventuele) serienummer achter de titel. Naam en serienummer worden niet gecursiveerd. De woorden ‘serie’ en ‘nummer’ laat je weg.

Bijvoorbeeld:

Hartog, E. den. De weg naar het paradijs: Romaans Maastricht in beeld. Vierkant Maastricht 38. Maastricht: Stichting Historische Reeks Maastricht, 2003.

 

Plaats van uitgave

Vermeld in een Nederlandstalig werkstuk alle plaatsnamen in het Nederlands: Parijs, Londen, Neurenberg, Luik. NB: Voor een Engelstalig werkstuk worden de plaatsnamen in het Engels weergegeven!

Bij twee plaatsnamen moeten beide namen worden vermeld, gescheiden door een schuine streep; bij drie (of meer) namen schrijf je na de tweede naam: , enz.

 

Bijvoorbeeld: Cambridge MA/Londen, enz.

(Het gaat in dit geval niet om Cambridge in Engeland, maar om Cambridge in Massachusetts in de Verenigde Staten. De namen van de verschillende staten van  de VS worden meestal niet voluit geschreven maar in de vorm van een standaard-afkorting van twee of drie letters, zonder puntje aan het eind: MA = Massachusetts, NY = New York, IL = Illinois, enzovoorts).

 

De plaatsnaam kun je vinden op de titelpagina of in het colofon. Staat er wel een plaatsnaam in het boek, maar niet op de gewone plaats (bijvoorbeeld in het voorwoord), dan moet die naam tussen vierkante haken worden gezet, aldus: [München].

Als nergens in het boek een plaatsnaam te vinden is, dan vermeld je achter de titelinformatie: Z.p. Dat betekent: ‘zonder plaats’.

 

Uitgever

Vermeld de naam van de uitgever na de plaats van uitgave, gescheiden voor een dubbele punt.

Bijvoorbeeld:

O’Malley, M. The business of art: Contracts and the commissioning process in Renaissance Italy. New Haven/Londen: Yale University Press, 2005.

 

Jaar van uitgave

Het jaartal kun je vinden op de titelpagina of in het colofon. Staat er wel een jaartal in het boek, maar niet op de gewone plaats (bijvoorbeeld in het voorwoord), dan moet dit jaartal tussen vierkante haken worden gezet, aldus: [2002].

Als nergens in het boek een jaartal te vinden is, dan vermeld je: z.j. Dat betekent: ‘zonder jaartal’.

Als plaatsnaam en jaartal van de uitgave beide niet vermeld staan op de titelpagina of in het colofon, maar wel elders in het boek te vinden zijn, wordt het bijvoorbeeld: [Amsterdam 1986]. Als plaatsnaam en jaartal van de uitgave beide onbekend zijn en nergens in het boek te vinden zijn, krijg je de volgende combinatie: z.p. z.j..

In internationale publicaties komen de volgende afkortingen voor (eerste kolom):

Gebruik in dat geval in Nederlandstalige werkstukken (tweede kolom):


3.1 Titelbeschrijving van een boek

 
 
 
 
 

- etc.

- ed. (= edited/editor)

- Hrsg. (= Herausgeber/ Herausgegeben)

- réd. (= rédaction/ rédacteur)

- a cura di (= onder verantwoording van)

- s.l. (= sine loco)

- s.a. (= sine anno)

enz.

red.

red.

red.

red.

z.p. (= zonder plaats)

z.j. (= zonder jaartal)

 

3.2 Titelbeschrijving van een artikel in een tijdschrift of een jaarboek

 

Wanneer je een artikel beschrijft in je literatuurlijst, noem je de volgende onderdelen:

  • De auteur              

  • titel van het aangehaalde artikel tussen dubbele aanhalingstekens

  • titel van het tijdschrift gecursiveerd

  • gegevens tijdschrift: jaargang en eventueel deelnummer, nummer van de aflevering (alleen als er in een jaargang niet is doorgenummerd, zie hieronder) jaartal tussen haakjes.

  • de paginanummers volgen na een dubbele punt (eventueel afgekort tot: p. (enkelvoud) of tot pp. (meervoud). Bijvoorbeeld: pp. 1-100 betekent pagina 1 tot en met 100.)

 

Als het artikel afkomstig is uit een tijdschrift en als alle onderdelen vermeld worden, ziet een titelbeschrijving er als volgt uit:

Jongh, E. de. "Het Lam Gods" Kunstschrift 43, 6 (1999): 32-39.

of

Jongh, E. de. "Het Lam Gods" Kunstschrift 43, 6 (1999): pp. 32-39.

Het betreffende artikel staat op de pagina’s 32 tot en met 39 in aflevering 6 van de 43ste jaargang uit 1999.

 

De meeste ‘klassieke’ kunsttijdschriften worden vier maal per kalenderjaar uitgegeven. Deze vier afleveringen vormen samen één jaargang en hebben een doorlopende paginering. Dat geldt bijvoorbeeld voor: The Art Bulletin,The Burlington Magazine, Oud Holland, Zeitschrift für Kunstgeschichte, Journal of the Society of Architectural Historians (J.S.A.H.) enz. Aangezien de losse afleveringen van zo’n tijdschrift gewoonlijk na verloop van tijd worden ingebonden, hoef je het nummer van een aflevering niet te vermelden. Er is namelijk in de hele jaargang 89 uit 2007 van The Art Bulletin maar één pagina 788.

Bijvoorbeeld:

Miedema, H. "De St. Lucasgilden van Haarlem en Delft in de zestiende eeuw" Oud Holland 99 (1985): 77-109.

 

Als een tijdschrift geen doorlopende nummering kent, maar iedere aflevering de paginering opnieuw begint bij pagina 1, is het essentieel om het nummer van de aflevering te vermelden. Een vermelding als ‘pagina 8 van jaargang 28 uit 2006’  is dan niet voldoende. Een jaargang van een dergelijk tijdschrift omvat gewoonlijk twaalf of soms vier afleveringen per jaar en iedere aflevering heeft een ‘eigen’ pagina 8. Voorbeelden daarvan zijn: Jong Holland, De Architect, Kunstschrift, Monumenten, Museumvisie, Bulletin van de Koninklijke Oudheidkundige Bond, enzovoorts. In deze gevallen is het nummer van de aflevering onmisbaar in de titelbeschrijving.

Bijvoorbeeld:

Lansink, H. "Het Museumplein in Amsterdam: Een historisch overzicht" Jong Holland: Tijdschrift voor kunst en vormgeving na 1850 15, 2 (1999): 6-13.

Het betreffende artikel staat op de pagina’s 6 tot en met 13 in aflevering 2 van jaargang 15 uit 1999.

 

Sommige tijdschriften werken niet langer met jaargangen, maar laten de nummering van de afzonderlijke afleveringen over alle kalenderjaren doorlopen. Voorbeelden daarvan zijn: Lotus International, Daidalos, Oppositions en  Revue de l’Art. Ook in dit geval is het nummer van de aflevering onmisbaar in de titelbeschrijving.

Bijvoorbeeld:

Anderson, S. "Modern Architecture and Industry: Peter Behrens, the AEG, and Industrial Design." Oppositions, 21 (1980): 78-97.

Het betreffende artikel staat in aflevering 21.

 

Sommige tijdschriften komen maar eenmaal per jaar uit en zo’n aflevering wordt vaak hardnekkig ‘nummer’ genoemd. Het is bibliografisch juister om in dit geval te spreken van een ‘jaargang’ en dan ook de regels toe te passen die gelden voor een jaargang-aanduiding.

Bijvoorbeeld:

Boschloo, A.W.A. "Over Bamboccianten en kikvorsen." Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 23 (1972): 191-202.

Het betreffende artikel staat in jaargang 23 van het NKJ uit 1972.

 

Als in de titel van het artikel een citaat voorkomt, komt dit tussen enkele aanhalingstekens. Dat heeft tot gevolg dat de titelbeschrijving van zo’n artikel begint met driedubbele aanhalingstekens (dubbele vanwege het citaat en enkele omdat het een artikel is).

Bijvoorbeeld:

Dickey, S. "'Met een wenende ziel...doch droge ogen': Women holding handkerchiefs in seventeenth-century Dutch portraits." Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 46 (1995): 335-367.

3.3 Titelbeschrijving van een artikel in een bundel

 

Een bundel is een verzameling opstellen van verschillende auteurs, verzameld en ingeleid door een redacteur, in boekvorm. Als een artikel afkomstig is uit een bundel, is de titelbeschrijving in grote lijnen gelijk aan die van een artikel in een tijdschrift, maar er zijn een paar afwijkende regels.

 

  • In de titelbeschrijving komen twee auteursnamen voor: de auteur van het artikel (die staat vooraan: dat is belangrijkste) èn de redacteur van de bundel. Vermeld steeds beide namen, ook als de auteur van het artikel en de redacteur van het boek dezelfde persoon zijn.

  • Anders dan bij een artikel in een tijdschrift moet tussen de titel van het artikel en de titel van de publicatie waarin het artikel verschenen is, het woordje ‘in’ worden tussengevoegd.

 

Bijvoorbeeld:

  • Banham, R. "The glass paradise." inThe Antirationalists, Richards, J.M., Pevsner, N. red, 187-192. Londen: Architectural Press, 1973.

  • Renders, Th. "Kunstenaarsorganisaties." in De doorbraak van de moderne kunst in Nederland: De jaren 1945-1951, Stokvis, W. red, 107-116. Amsterdam: Meulenhoff, 1984.

3.4 Titelbeschrijving van een collectie- of tentoonstellingscatalogus

 

Belangrijke en veelgebruikte bronnen in de kunstgeschiedenis zijn catalogi, waarbij een onderscheid gemaakt moet worden tussen collectie- of museumcatalogi en tentoonstellingscatalogi.

 

De titelbeschrijving van een catalogus is min of meer gelijk aan die van een boek. Dat geldt voor anonieme catalogi, maar ook voor catalogi waarvan wel een of meer auteur(s) bekend zijn (zie 3.1). Het enige verschil met een boek is dat er bij een catalogus achter het jaartal moet worden toegevoegd: Mus. cat. of Tent. cat., steeds met de naam van het museum en de plaatsnaam.

 

  • Voorbeeld van een anonieme collectiecatalogus:
    Van Eyck to Bruegel 1400 to 1550: Dutch and Flemish painting in the collection of the Museum Boymans-van Beuningen. Rotterdam, 1994. Mus. cat. Museum Boijmans-van Beuningen, Rotterdam.
    Wordt in de literatuurlijst ingevoegd onder de E (van Van Eyck).
     

  • Voorbeeld van een collectiecatalogus geschreven door één auteur:
    Blotkamp, C. Daubigny, Van Doesburg, Daniëls… en 88 andere hoogtepunten in de collectie moderne kunst van het Centraal Museum. Utrecht/Antwerpen, 1987. Mus. cat. Centraal Museum, Utrecht.
    Wordt ingevoegd onder van B (van Blotkamp).
     

  • Voorbeeld van een tentoonstellingscatalogus van de hand van meerdere auteurs:
    Sluijter, E.J., M. Enklaar, P. Nieuwenhuizen, red. Leidse fijnschilders: Van Gerrit Dou tot Frans van Mieris de Jonge, 1630-1760.  Zwolle: Waanders,1988. Tent. cat. Stedelijk Museum De Lakenhal, Leiden.
    Wordt ingevoegd onder de S (van Sluijter).

3.5 Literatuurlijst

  • De literatuurlijst vormt het laatste onderdeel van het werkstuk, ná de noten (als je eindnoten gebruikt), na de afbeeldingen (als die in één rubriek bij elkaar staan) en na de lijst met de vermelding van de herkomst van de afbeeldingen (zie Indeling werkstuk).

  • Als apart onderdeel van het werkstuk krijgt de literatuurlijst als kop: Literatuur of Geraadpleegde literatuur. De term Bibliografie mag alleen worden gebruikt als de literatuurlijst is ingedeeld in verschillende rubrieken, zoals: archivalia, boeken, tijdschriftartikelen, krantenartikelen, internet, enz.

  • De literatuurlijst dient alfabetisch te zijn geordend. Anonieme uitgaven worden ingevoegd op het eerste woord van de titel. Als dat een lidwoord is, gebruik je het eerstvolgende zelfstandige of bijvoeglijke naamwoord.

  • Vermeld alle (alleen) literatuur die je in het werkstuk ter sprake brengt (en die in de noten vermeld is) in de literatuurlijst. Er is geen enkele reden om de boeken en artikelen in de literatuurlijst te nummeren.

  • Geef van internetbronnen de URL en de datum waarop je de site hebt geraadpleegd. Let op of er wordt vermeld wanneer de site voor het laatst is bijgewerkt, om te zien of de gegevens nog wel actueel zijn.. Soms staat er bij een site vermeld: “ Als U naar dit lemma wilt verwijzen, dan is dit het adres…enz.” Gebruik zoveel mogelijk dit laatste URL-adres, want dit is een permanent adres (de zogenaamde stable URL).

3.6 Citaten en noten

Explicatieve en verwijzende noten

Wie in een geschreven tekst de woorden van een ander aanhaalt, citeert. Voor dit citeren bestaan regels. Citaten moeten worden verantwoord door middel van noten. Ook als je niet letterlijk citeert maar bijvoorbeeld verwijst naar bepaalde ideeën of een specifieke mening van een auteur, moet je dit verantwoorden in noten. Dit zijn verwijzende noten. Daarnaast bestaan er zogenaamde explicatieve noten. In een explicatieve noot kun je bijvoorbeeld een standpunt uitleggen of een datering nuanceren.

 

Citeren

Geheel geciteerde zinnen worden binnen dubbele aanhalingstekens geplaatst.

  • Als je slechts een deel van een zin citeert en dus het begin of eind van een zin weglaat, geef je dat aan met drie puntjes binnen de aanhalingstekens, bijvoorbeeld: “... veel van Rembrandt had geleerd”.

  • Als je midden in een citaat iets weglaat, geef je dat ook aan met drie puntjes, bijvoorbeeld:

  • “... dat Lodewijk XIV ... veel meubels bestelde”.

  • Als je in een citaat iets aanvult, gebruik je vierkante haken, aldus:

  • “Hij [Rembrandt] schilderde dagelijks.”

Vergelijk in deze beide voorbeelden de volgorde van aanhalingsteken en punt. In het laatste voorbeeld valt het eind van de zin samen met het eind van de geciteerde zin.

 

Als je de titel van een boek of tijdschrift noemt in de lopende tekst, moet die altijd worden gecursiveerd. Als je de titel van een artikel noemt in de lopende tekst, moet die altijd tussen dubbele aanhalingstekens worden geplaatst. Dat komt overeen met de regels voor de titelbeschrijving in een literatuurlijst (zie 3.1).

 

Nootcijfer, voetnoten en eindnoten

Het nootcijfer dient in superscript en zoveel mogelijk aan het eind van een zin te worden geplaatst, na de punt, zonder spatie.

Wáár een auteur de noten onderbrengt hangt soms af van het soort publicatie of de eisen die de uitgever stelt. In de literatuur kan je dus zowel voetnoten als eindnoten tegenkomen. In je eerstejaars werkstuk maak je gebruik van voetnoten! Voetnoten zet je onderaan iedere pagina. Gebruikelijk daarbij is wel dat de noot staat op de pagina waarop het nootcijfer vermeld staat in de lopende tekst. Eindnoten vind je in de literatuur als een lijst onder elkaar direct na de lopende tekst (zie Indeling ook Eindwerkstuk).

 

Er zijn twee systemen om noten te maken.

 

I. Noten met een verkorte titelbeschrijving

Bij deze methode, die meestal wordt gebruikt bij werkstukken, verwijzen de noten in een verkorte vorm naar de volledige titels in de literatuurlijst. In de Chicago stijl volstaat dan de achternaam van de auteur en de paginanummers (de zogenaamde author-only vorm):

  • 2. Boschloo, 200.

  • 4. Sluijter, 4-9.

  • 8. Sluijter, 225.


Omdat het regelmatig voorkomt dat er naar meerdere publicaties van eenzelfde auteur wordt verwezen zie je in verkorte voetnoten vaak ook het jaartal van publicatie om aan te geven om welke publicatie het gaat. Noten kunnen er dan zo uitzien:

  • 2. Boschloo 1972, 200.

  • 4. Sluijter 1993, 4-9.

  • 8. Sluijter  2006, 225.


Bij meerdere werken van dezelfde auteur wordt er in Chicago echter een verkorte titelvermelding in de voetnoot opgenomen (de zogenaamde author-title vorm). Het is dus consequenter deze vorm te volgen:
 

  • 2. Boschloo, "Over Bamboccianten en kikvorsen", 200.

  • 4. Sluijter, De lof der schilderkunst, 4-9.

  • 8. Sluijter, Rembrandt and the female nude, 225.
     

Boektitels worden in verkorte voetnoten gecursiveerd en artikelen tussen dubbele aanhalingstekens geplaatst.
Sommige auteurs kiezen er voor om alleen verkorte titels in de voetnoot op te nemen als er naar meerdere werken van dezelfde auteur wordt verwezen (of naar werken van meerdere auteurs met dezelfde achternaam) en dat niet te doen bij verwijzingen naar literatuur waarmee dit niet het geval is. Zij gebruiken dan de author-only en author-title vorm door elkaar. Op staat de Chicao stijl dit toe maar het is duidelijker om de author-title vorm op alle voetnoten toe te passen.

Bij verwijzingen door middel van verkorte voetnoten is een literatuurlijst uiteraard onmisbaar.

In de literatuurlijst worden de titels uit bovengenoemd voorbeeld als volgt vermeld:

Boschloo, A.W.A. "Over Bamboccianten en kikvorsen." Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 23 (1972): 191-202.

Sluijter, E.J. De lof der schilderkunst: Over schilderijen van Gerrit Dou (1613-1675) en een traktaat van Philips Angel uit 1642. Zeven Provinciën reeks 7. Hilversum: Verloren, 1993.

Sluijter,E.J. Rembrandt and the female nude. Amsterdamse Gouden Eeuw reeks. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2006.

 

II. Noten met volledige titels

Dit systeem bestaat uit noten waarin de lezer de volledige titels kan vinden. De eerste keer dat een publicatie wordt genoemd, wordt in de noot de complete titel gegeven. Bij een volgende verwijzing naar dezelfde publicatie kan worden volstaan met een verkorte voetnoot.

Het voordeel van deze methode is dat een op zichzelf staand geheel ontstaat. Een literatuurlijst is dan overbodig. Volledige noten worden gewoonlijk gevraagd bij publicaties in tijdschriften.

Bij een tijdschriftartikel moet er bij de eerste vermelding onderscheid worden gemaakt tussen de eerste en laatste pagina van het hele artikel èn de pagina(’s) waarnaar je wilt verwijzen.

Bijvoorbeeld:

3. C.W. Fock, "Werkelijkheid of schijn: Het beeld van het Hollandse interieur in de zeventiende-eeuwse genreschilderkunst," Oud Holland 112 (1998): 187-246: 189-192.

(Het hele artikel loopt van pagina 187 tot en met 246 en de passage waarnaar verwezen wordt staat op de pagina’s 189 tot en met 192.)

 

Bij het verwijzen naar een eerdere noot met de complete titelbeschrijving moet er onderscheid worden gemaakt tussen een noot die onmiddellijk voorafgaat en een noot die meer dan één nootcijfer verwijderd is van de eerste vermelding.

In het eerste geval gebruik je de verkorte versie van de term Ibidem, dat wil zeggen: ‘op dezelfde plaats’.

Bijvoorbeeld:

  • 3. C.W. Fock, "Werkelijkheid of schijn: Het beeld van het Hollandse interieur in de zeventiende-eeuwse genreschilderkunst," Oud Holland 112 (1998): 187-246.

  • 4. Ibid., 189-192.

 

In het tweede geval gebruik je de verkorte voetnoot. In oudere publicaties vind je vaak nog de term: op. cit. , een afkorting van opus citatum, dat wil zeggen: ‘het [al eerder] aangehaalde werk’, in combinatie met de achternaam van de auteur en een verwijzing naar de noot waarin de titelbeschrijving voor het eerst  en compleet werd gegeven.

Bijvoorbeeld:

  • 4. E.J. Sluijter, De lof der schilderkunst: Over schilderijen van Gerrit Dou (1613-1675) en een traktaat van Philips Angel uit 1642. Zeven Provinciën reeks 7. (Hilversum: Verloren, 1993), 4-9.
     

En vervolgens:

  • 8. Sluijter, op. cit. (noot 4), 6.

Dit kom je in de literatuur dus nog veel tegen maar is in de Chicago stijl in onbruik geraakt.

Plaats: uitgever en jaartal worden in noten met volledige titels tussen haakjes geplaatst.

 

In de praktijk kun je dan een dergelijke notenlijst tegenkomen:

  • 1. C.W. Fock, "Werkelijkheid of schijn: Het beeld van het Hollandse interieur in de zeventiende-eeuwse genreschilderkunst,"Oud Holland 112 (1998): 187-246.

  • 2. Ibid., 215-219.

  • 3. E.J. Sluijter, De lof der schilderkunst: Over schilderijen van Gerrit Dou (1613-1675) en een traktaat van Philips Angel uit 1642. Zeven Provinciën reeks 7. (Hilversum: Verloren, 1993), 4-9.

  • 4. Ibid., 6-8.

  • 5. Fock,"Werkelijkheid of schijn", 189-192.

  • 6. Sluijter, De lof der schilderkunst, 68.

  • 7. Ibid., 92.

Verwijs in twee opeenvolgende noten nooit naar dezelfde pagina van dezelfde publicatie, maar maak daar dan één noot van.

In de lopende tekst en in de noten citeer je uit bronnenmateriaal, bijvoorbeeld brieven of archiefstukken. Als het om een lange tekst gaat (langer dan een halve pagina), dan is het overzichtelijker om zo’n tekst op te nemen als bijlage. Het moet dan wel gaan om een relevante toevoeging aan het werkstuk.

Is het citaat in de literatuur gemakkelijk te vinden, dan volstaat een simpele verwijzing.

Bijlagen worden genummerd en krijgen een plaats als laatste onderdeel van het tekstgedeelte van het werkstuk, na de eindnoten, als je werkt met eindnoten en anders direct na de lopende tekst (zie indeling eindwerkstuk).

3.7 Bijlagen

Gewoonlijk zal je tekst vergezeld gaan van afbeeldingen. Die kun je op twee plaatsen onderbrengen: òf in de tekst zelf, maar dan wel graag in directe samenhang met de tekst, dus op de pagina waar ze besproken worden, òf aan het eind van het tekstgedeelte, dus ná de eindnoten, de literatuurlijst en de eventuele bijlagen (zie indeling eindwerkstuk).

Voorzie iedere afbeelding van een nummer en een zelfgemaakt onderschrift. Het is niet de bedoeling dat je het bijschrift uit een boek of een artikel kopieert.

 

Verwijs in de tekst op de volgende manier naar een afbeelding: “Een staande Christusfiguur neemt in het middenportaal van de westgevel van de kathedraal van Amiens een centrale plaats in (afb. 12)” en dus niet (zie afb. 12). Ook niet: ”Op afbeelding 12 is goed te zien dat een staande Christusfiguur in het middenportaal van de westgevel van de kathedraal van Chartres een centrale plaats inneemt” of (zie afb. 12). 

 

Titels van schilderijen enzovoorts moeten in principe in het Nederlands worden vertaald. Soms zijn titels van bekende kunstwerken zo ingeburgerd geraakt, dat ze altijd in de oorspronkelijke taal worden genoemd, bijvoorbeeld: Manets Le déjeuner sur l’herbe, Picasso’s Les demoiselles d’Avignon of Velasquez’ Las meñinas. Die hoef je niet te vertalen. Dat zijn uitzonderingen en het is ook moeilijk aan te geven voor welke kunstwerken dat precies geldt. Dat is vooral een gevoelskwestie.

 

Noteer al direct bij het verzamelen van materiaal voor je werkstuk alle gegevens die later voor een onderschrift nodig zullen zijn en vergeet vooral niet te noteren wáár je precies de betreffende afbeelding hebt gevonden (in welke beeldbank, of: in welk boek of artikel).

In principe moet elke opgenomen afbeelding in je tekst ter sprake komen. Wees dus uiterst terughoudend met het opnemen van afbeeldingen “zomaar, voor de aardigheid”.

 

Beeldende kunst/kunstnijverheid/architectuur

In het onderschrift worden in principe de volgende gegevens vermeld:

  • wie (is de maker, indien bekend; is het werk gesigneerd en/of gedateerd?);

  • wat (is uitgebeeld? Noteer de titel cursief: dat schept een duidelijk onderscheid tussen maker en titel. Begin de titel van een kunstwerk altijd met een hoofdletter);

  • wanneer (werd het gemaakt? Datering? Bij architectuurfoto’s kun je eventueel vermelden: “De foto geeft de toestand weer vóór de restauratie in 1889”);

  • hoe (is het gemaakt; vermeld materiaal/techniek: olieverf op paneel of doek, ets, gravure, mahoniehout, verguld zilver enz.);

  • hoe groot (is het? : afmetingen). Bij tweedimensionale objecten (schilderijen, prenten, tekeningen en foto’s) is de volgorde altijd: hoogte x breedte. Die termen hoef je niet uitdrukkelijk te vermelden. Bij driedimensionale objecten (architectuur, kunstnijverheid, sculptuur) geef je altijd drie maten: hoogte x breedte x diepte. Ook dan hoef je de volgorde niet te vermelden. Soms kan het handig zijn om ook een diameter te vermelden. Het symbool voor diameter is: Ø. Als een voorwerp rond is, vermeld je de grootste hoogte en de grootste diameter. Soms kan het nuttig zijn om precies ter vermelden welke doorsnede bedoeld wordt, bijvoorbeeld: “diameter aan de bovenkant … cm.” Denk eraan dat de maten in Engelstalige boeken altijd in inches/duim en feet/voet worden aangegeven. Die maten kun je niet zo laten staan; die moet je omrekenen naar centimeters. Een duim is 2,54 centimeter en een voet is 30,48 centimeter; een voet is 12 duim.

  • waar (bevindt het zich? Noem plaatsnaam en eventuele collectie. Vermeld deze gegevens tussen haakjes);

  • inventarisnummer, meestal afgekort tot: inv. nr. (indien bekend). Ieder object in een museumcollectie heeft altijd een vast, permanent inventarisnummer.

 

Bijvoorbeeld:

  • Johannes Vermeer, Het meisje met de parel, ca. 1660, olieverf op doek, 46.5 x 40 cm., (Den Haag, Mauritshuis, inv. nr. 670).

  • Henry Moore, Koning en koningin, brons, 1952-1953, 170 x 150 x 95 cm., (Antwerpen, Park Middelheim, inv. nr. 44).

 

Kunstnijverheid
  • Maker/ontwerper

  • Object

  • Signatuur

  • Datering

  • Materialen en techniek

  • Afmetingen

  • Locatie + inventarisnummer.

 

Bijvoorbeeld:

  • Kom, zogenaamde klapmuts, ca. 1685, polychroom Delfts aardewerk, beschilderd in blauw, rood en groen, hoogte 15 cm., diameter bovenrand 28,5 centimeter (Delft, Museum Het Prinsenhof, inv. nr. K476).

 

 Architectuur
  • Ontwerper

  • Object/soort gebouw

  • Naam van het gebouw

  • Plaats

  • Gegevens straat en nummer (indien bekend)

  • Datering van het gebouw

  • Zijde van het afgebeelde gebouw

  • Richting van waaruit de foto is genomen

  • Datering van de foto.

 

Bijvoorbeeld:

  • H.P. Berlage, Koopmansbeurs, Amsterdam, Damrak/Beursplein, 1897-1903. Exterieur: gezicht op de voorgevel en de linker zijgevel vanuit het zuid-westen. Opname uit ca. 1935.

 

Geef bij plattegronden en situatieschetsen de windrichting aan door middel van een noordpijl of kompasroos.

 

Herkomst afbeeldingen 

De afbeeldingen zullen over het algemeen overgenomen zijn uit werken van anderen. Hier geldt dus dat je moet vermelden uit welke beeldbank of website, uit welk boek of artikel de desbetreffende foto, tekening enzovoorts is overgenomen. Maak een lijst met de herkomst van de afbeeldingen en neem die op in je werkstuk, na de afbeeldingen, als je die samen op één plaats achterin hebt ondergebracht en anders na de eindnoten en de eventuele bijlagen (zie Indeling Eindwerkstuk).

Als je afbeeldingen overgenomen hebt uit een publicatie, kun je - in een werkstuk - volstaan met een verkorte weergave van de titel (achternaam van de auteur plus jaar van publicatie), plus het oorspronkelijke afbeeldingnummer. Net als bij de noten kun je de volledige titel immers opzoeken in de bijgevoegde literatuurlijst.

In een manuscript voor een artikel zal gewoonlijk de naam van de fotograaf tussen haken worden toegevoegd aan het onderschrift.

Als je zelf foto’s gemaakt hebt, vermeld je: “Foto auteur”, gevolgd door de datum waarop je de foto hebt gemaakt.

Vergeet niet ook de herkomst van de eventuele afbeelding op de omslag van je werkstuk te vermelden in deze lijst.

3.8 Afbeeldingen