BA Leerlijnen Kunstgeschiedenis - Universiteit Leiden

Eva le Clercq & Helen Westgeest - h.f.westgeest@hum.leidenuniv.nl

Colofon

Dit werk valt onder een CC BY NC SA NL 3.0-licentie.

1. Literatuur zoeken

Het kunsthistorisch apparaat

 

1.1 De bibliotheek

Via de website van de Universiteitsbibliotheek kun je in principe alles vinden. Via de Subject Guide kom je bij het gedeelte over kunst en daar vind je ook een verwijzing naar voor de kunstgeschiedenis relevante bronnen in de Digitale Bibliotheek: verwijzingen naar databases; elektronische artikelen en tijdschriften; naslagwerken; digitale beeldcollecties.

Het is wenselijk en vaak ook noodzakelijk andere bibliotheken te raadplegen. De meeste bibliotheken zijn digitaal ontsloten. Overzichten van bibliotheken en toegang tot hun catalogi gaat via Picarta of WorldCat.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

1.3 Primaire en secundaire bronnen

Voor opzoekwerk in digitale catalogi en databases is het belangrijk om onderscheid te maken tussen het opstellen van je bibliografie en het vinden van een exemplaar van een boek of een artikel. Voor de eerste zoekbewerking maak je gebruik van zo veel mogelijk databases en catalogi om zicht te krijgen op de beschikbare literatuur over een onderwerp. Voor de tweede zoekbewerking gebruik je catalogi die je vertellen waar welk boek of tijdschrift is te vinden. 

In de praktijk wisselen die zoekbewerkingen elkaar natuurlijk af. Via de Catalogus van de Universiteitsbibliotheek kan je zowel boeken als artikelen vinden. Meer informatie over de Catalogus is te vinden op de website van de bibliotheek.

Belangrijke algemene bibliotheken:

Bij opzoekwerk is het belangrijk om je database goed te kiezen volgens je onderwerp. Zo is het steeds aan te raden om voor een Italiaans onderwerp de Italiaanse nationale collecties te bekijken, voor een Frans onderwerp de BNF te gebruiken, enz.

 
Doorzoek tegelijkertijd meerdere catalogi, bijvoorbeeld:
  • URBS koppelt de catalogi van de buitenlandse onderzoeksinstituten in Rome en het Vaticaan.

  • COPAC verenigt Britse bibliotheken.

  • Arthistoricum verenigt een grote groep Europese en Amerikaanse onderzoeksbibliotheken.

  • Portale interculturala verenigt een aantal Italiaanse onderzoeksbibliotheken (UB-UL heeft geen licentie).

 

Belangrijke kunsthistorische bibliotheken:

 

Bij het gebruik van al de bovenstaande catalogi moet je de tijd nemen om je vertrouwd te maken met de interfaces en met de precieze inhoud van de catalogi (zijn het alleen boeken en tijdschriften, of ook artikelen, artefacten of afbeeldingen?). Deze catalogi zijn wel voor iedereen toegankelijk.

 

Dat geldt niet voor onderstaande databases, waar je alleen met een (peperduur) abonnement in kunt zoeken en downloaden. De meeste universiteiten, zoals Leiden, nemen zo’n abonnement voor hun studenten en personeel. 

Belangrijke kunsthistorische databases zijn:

Er wordt ook wetenschappelijk gepubliceerd op het internet. 
  • Zo kun je via Arthistorium het digitale recensietijdschrift Kunstform consulteren.

  • Bovendien zijn er vrij veel belangrijke bronteksten digitaal beschikbaar, zoals de belangrijkste klassieke auteurs.

  • of de Bijbel (diverse sites). 

  • Tenslotte is er het digitaliseringsproject van Google, Google books, dat boeken waarvan het copyright is verstreken integraal op het internet plaatst.

  • Een aantal klassieke teksten over Nederlandse kunst is gedigitaliseerd in de DBNL.

Bibliografieën, portals en catalogi

Bibliografieën zijn overzichten van wat er op een bepaald terrein gepubliceerd is, inclusief bronnenpublicaties. Recensies kunnen worden vermeld, maar vaak is dit niet het geval. Er bestaan ook geen aparte bibliografieën van recensies. Verder zijn er eigenlijk van bijna alles wel bibliografieën: er zijn zelfs bibliografieën van bibliografieën.

Bibliografieën zijn er in vele soorten en maten. Het zojuist genoemde ‘bepaalde terrein’ kan zeer ruim zijn, bijvoorbeeld alles wat in een bepaald land of taalgebied verschijnt. Dat zijn de algemene bibliografieën. Maar ze kunnen ook specifiek zijn.

Een belangrijk onderscheid is dat tussen de lopende en de afgesloten (ook wel retrospectief genoemde) bibliografie. ‘Lopend’ betekent dat er nieuwe afleveringen van de bibliografie verschijnen waarin wordt bijgehouden wat er op het gebied dat de bibliografie bestrijkt, wordt uitgegeven. ‘Afgesloten’ wil zeggen dat een bibliografie vanuit een vast punt verzamelt, bijvoorbeeld ‘de publicaties over ….. tussen 1900 en 1950’. Lopende bibliografieën kunnen vanzelfsprekend afgesloten raken. Afgesloten bibliografieën zouden lopend kunnen worden, als iemand besluit systematisch vervolgdelen te gaan uitbrengen.

Bibliografieën zijn al dan niet beredeneerd. Een beredeneerde bibliografie geeft commentaar bij de titels, van eenvoudige samenvattingen tot complete verhandelingen. Alle bibliografieën zijn nuttig, mits het werk behoorlijk is gedaan, maar een bibliografie met een systematische indeling en het nodige commentaar zal vaak behulpzamer zijn, in de meeste gevallen, dan een basale lijst die de literatuur alleen maar ordent op jaar van verschijnen.

Er bestaan papieren en digitale bibliografieën. In verband met de doorzoekbaarheid is met name bij omvangrijke bibliografieën de digitale vorm meestal de beste. Maar houd er rekening mee dat veel bestaand werk nog niet gedigitaliseerd is en mogelijk nooit zal worden. Denk in het geval van het internet niet alleen aan bibliotheken en andere in bibliografieën  gespecialiseerde instellingen, maar ook aan de webpagina’s van privé-personen die vaak de oogst van jaren titels verzamelen aan de openbaarheid prijsgeven, bijvoorbeeld universitair docenten die voor hun studenten een mooie bibliografie gereed zetten.

Zorg wel dat je bronkritiek levert: wie heeft deze pagina online gezet en waar gaat hij over? Vertrouw er nooit op dat een onbekende de volledige en juiste informatie heeft ontsloten. Je weet in het geval van een onbekende immers niet precies of iemand wel weet waar hij het over heeft.

 

Belangrijk: blijf up-to-date! Als de bibliografieën zijn uitgeput kun je nog op jacht gaan naar het meest recente materiaal, want daar zijn de bibliografieën in veel gevallen nog niet aan toegekomen. Daartoe kunnen tijdschriften dienen, met hun recensies, lijsten van ‘ontvangen titels’, aankondigingen en uitgeversadvertenties. Verder zijn er de fondscatalogi, de overzichten van de productie van een uitgever. Ook al maken de uitgevers nog steeds heel veel papieren reclame, toch is er op hun websites zeer veel te vinden. Voor boekhandels geldt hetzelfde.

 

De sneeuwbalmethode

In de vorige paragraaf is aan de orde gesteld hoe je systematisch op zoek gaat naar relevant materiaal met inzet van bibliografische hulpmiddelen. Maar er zijn nog andere manieren om aan verwijzingen naar materiaal te komen. Vaak genoemd wordt de ‘sneeuwbalmethode’: je begint met een stuk literatuur, graast daar door de voetnoten en de literatuuropgave en zoekt van daaruit verder. Dat werkt, maar het heeft zo zijn beperkingen. Om te beginnen is het niet systematisch. Je bent aan het toeval overgeleverd, want je maakt jezelf afhankelijk van wat een ander wist of de moeite waard vond. Dat degene wiens werk je raadpleegt iets over het hoofd heeft gezien, of dat die persoon iets heel belangrijk achtte dat bij nader inzien weinig betekenend is, is allemaal zeer goed denkbaar. Daar komt dan nog bij dat je vanzelfsprekend bijna alleen in één enkele richting sneeuwbalt: terug in de tijd (behalve als de literatuur work in progress vermeldt). De meest recente literatuur zul je elders moeten vinden.

Toch is het begrazen van andermans werk iets dat je niet moet nalaten. Je vindt langs die weg titels die er om de een of andere reden bij jouw eigen systematische zoektocht niet uitgekomen zijn.

Kortom: begin vooral met systematisch naar materiaal zoeken, maar breng vervolgens alles in stelling wat maar in stelling te brengen is. Laat geen enkel middel onbenut, binnen de grenzen van wat redelijk is en wat de tijd je toestaat.

1.2 Digitale catalogi en databases

 
 
 

In het eerste jaar werk je meestal nog niet met primaire bronnen. Toch staan we hier stil bij de vraag wat precies onder het begrip bron wordt verstaan. De literatuur die je leest en gebruikt in jouw werkstukken is immers grotendeels op bronnenstudie gebaseerd. Soms kom je uitvoerige broncitaten tegen die het resultaat zijn van het verzamelen van gegevens uit bronnen. Om dergelijke informatie op waarde te kunnen schatten, is het nodig te weten wat een bron eigenlijk is.

Het verleden zelf, dat zich op een bepaalde plaats op een bepaald moment heeft afgespeeld, is voorbij, niet meer waarneembaar en in die zin onkenbaar. Wat de geschiedwetenschap doet is het maken van een reconstructie van dat verleden op basis van wat er aan informatie resteert, op basis van bronnen. De literatuur omvat moderne(re) studies over het verleden gebaseerd op bronnen die zijn overgeleverd uit het verleden.

Let op dat het per vakgebied verschilt of men duidelijk onderscheid maakt tussen bron en literatuur. Sommige disciplines bedoelen met ‘bron’ elke leverancier van informatie, inclusief literatuur.

 

Indeling bronnen

Je kunt bronnen indelen naar materiaalsoort: bijvoorbeeld geschreven, ongeschreven. Het kunstwerk zelf dient ook als bron. Dat kun je weer verder verfijnen: handschriften, drukwerk, schilderijen, beeldhouwwerken, enzovoort.

Ook is een indeling mogelijk naar de aard van de bron, een typologie: bijvoorbeeld manifesten, brieven, dagboeken, etc. Meer overkoepelend komt men dan uit bij zaken als ‘documentair’ tegenover ‘literair’ of ‘visueel’.  Allemaal nuttige indelingen en elk vakgebied hanteert wat van pas komt.

Primaire en secundaire bronnen

Problematischer is de meer fundamentele benadering waarbij de bronnen worden ingedeeld in primair en secundair. Met primair wordt bedoeld: informatie uit de eerste hand, direct, van nabij, contemporain. Secundair is dan uit de tweede hand, indirect, van verderaf, niet-contemporain. Dit roept vragen op: primair of secundair ten opzichte van wat? We moeten concluderen: ten opzichte van de gestelde vragen.

Wanneer we bijvoorbeeld willen weten hoe de sociale omstandigheden van het Parijs van het begin van de twintigste eeuw van invloed waren op Picasso’s ‘Blauwe Periode’, dan kunnen de stedelijke volksgegevens een primaire bron zijn, maar romans van Picasso’s tijdgenoten zijn dat niet. Vragen we daarentegen naar de beeldvorming rond de sociale kwestie, dan zijn romans wel degelijk een primaire bron.

Of iets een primaire of secundaire bron is, zelfs of een tekst bron of literatuur genoemd moet worden, hangt af van de gestelde vragen. Wanneer we de geschiedenis van de moderne wetenschap schrijven, dan zijn ook de werken van wetenschappers een bron. Een bepaalde vraag resulteert in de noodzaak een bepaalde categorie bronnenmateriaal te onderscheiden en vervolgens te gebruiken. Die categorie is dan primair voor het onderzoek in kwestie. De bronnen blijven dezelfde, maar of ze in een bepaalde context primair of secundair worden genoemd en worden ingezet, hangt af van de inhoud van het onderzoek. Een primaire historische bron is dus een neerslag van het verleden en wel een die een zo direct mogelijke verbinding legt tussen de onderzoeker en diens vraag en het verleden zelf. Daarvoor hoeft een bron niet een bepaalde ouderdom of status te hebben. De krant of een tentoonstelling van gisteren kan een bron zijn, net zo goed als een kunstenaarsmanifest van tachtig jaar terug. Een bron hoeft ook niet van een bepaald type te zijn: een archiefstuk kan een bron zijn, een persfoto, een schilderij of een dagboek kan dat ook zijn.

 

Let op!

Overzichtswerken van de Kunstgeschiedenis mogen niet worden aangedragen als bronnen of literatuur voor een werkstuk. Deze zijn te algemeen. Zoek altijd naar specifiekere literatuur of bronnen die aansluiten bij het onderwerp van jouw werkstuk.

1.4 Bijzondere collecties

 

De UBL (Universiteitsbibliotheken Leiden) beheert zeer omvangrijke bijzondere collecties van nationale en internationale allure. Deze omvatten handschriften, bijzondere gedrukte werken, kaarten, atlassen, prenten, tekeningen en fotografie zowel uit de westerse als de niet-westerse wereld. Via Digital Special Collections zijn de gedigitaliseerde objecten uit de collecties te raadplegen.

Voor kunsthistorici zijn vooral de collecties van prenten, tekeningen en portretten zeer interessant.

Prenten, tekeningen en portretten

De collectie prenten, tekeningen en portretten omvat meer dan 100.000 prenten, 12.000 tekeningen en 30.000 portretten. De prenten geven een beeld van de belangrijkste Europese scholen, de tekeningen zijn vooral Nederlands van herkomst. Tegenwoordig ligt de nadruk op het uitbreiden van de collecties hedendaagse kunst.

De tekeningen en prenten zijn toegankelijk via de Catalogus. De tekeningen zijn volledig ontsloten en gedigitaliseerd, bij de prenten is dat slechts ten dele het geval.

Fotografie

Het aantal historische en hedendaagse foto’s van de Universiteit Leiden nadert het half miljoen. De fotocollectie van de Universiteit Leiden heeft in het nationale erfgoedlandschap een bijzondere positie. Het is de oudste museale fotocollectie van Nederland. In 1953 werd ze gestart met als doel de technische en artistieke ontwikkeling van het medium fotografie vast te leggen. Hierin verschilde zij van de documentaire fotocollecties die tot dan toe bij archiefinstellingen bestonden. In de decennia na de oprichting werden oudere verzamelingen toegevoegd, die soms zelfs uit het begin van de twintigste eeuw stamden. Het resulteerde in een voor Nederland unieke organisch gevormde fotocollectie, die de geschiedenis van de fotografie vanaf de uitvinding in 1839 tot nu in beeld brengt.